Netwerken in Tokio

Dertien Nederlandse ontwerpers presenteren hun werk op de 100% Design Tokyo-beurs. „Nederlanders zijn losser. I like that.”

Als je steil haar hebt, wil je krullen, en andersom. Misschien is dit in al zijn eenvoud de beste verklaring voor de belangstelling die Japan, vormgevingsland bij uitstek, aan de dag legt voor vormgeving uit andere, westerse landen. Nederland scoort hoog in die belangstelling, bleek vorig week op de beurs 100% Design Tokyo. „Japanse vormgeving is sterk op traditie en ambachtelijkheid gericht”, zegt Keiko Sano, curator van de Tokiose Axis Gallery. „Soms willen we té perfect zijn. Nederlandse vormgevers zijn losser, conceptueler. I like that.”

De beurs, die dit jaar voor de vierde keer werd gehouden, is onderdeel van de Tokyo Designers Week, het grootste designevenement in Japan en de Aziatische pendant van de Salon de Mobile in Milaan. Ook op een groot aantal andere plekken in de stad was werk te zien van Nederlandse ontwerpers, zoals Richard Hutten, Marcel Wanders en Piet Hein Eek, ontwerper van eetconcepten Marije Vogelzang en van samenwerkingsverbanden zoals Moooi en Droog Design, dat sinds juni een winkel in Tokio heeft. Buiten op het beursterrein staat een container die het Nederlands-Sloveens architectenbureau Elastik samen met het Japanse bureau Mat heeft ingericht als „een optimale luisteromgeving in een drukke stedelijk setting”, zegt Freek Dech van Elastik. Binnen loop je door een woud van rubberen slierten naar een voluptueuze sofa van karton en kun je je volledig aan de muziek overgeven. Na Tokio wordt de container verscheept naar de NDSM-werf in Amsterdam.

Onder de naam ‘Created in Holland’ presenteren dertien Nederlandse ontwerpers hun werk op 100% Design. De Nederlandse stand, gebouwd naar een ontwerp van Laurens van Wieringen, kreeg de eerste prijs van de beurs wegens de heldere presentatie. Het initiatief is van de Premsela Stichting, de organisatie was in handen van David Heldt en Victor Noble die onder de naam Tuttobene sinds vijf jaar de Nederlandse inzending voor Milaan organiseren. Het geld, een kleine anderhalve ton, komt van de EVD, het handelsagentschap van het ministerie van Economische Zaken. Het werk dat daarin wordt gepresenteerd, loopt uiteen van de gestroomlijnde paraplu van Senz tot de kussens en vilten kleden van Celia Suzanne Sluijter, van een flinke kast van Michel Doyer tot weefsels van paardenhaar van Marianne Kemp, van de demontabele stoelen en tafels van de ontwerper ‘Peli’ tot keramiek van Sander Luske.

„Ik ben hier nu voor de tweede keer”, zegt Luske, „en ik merk dat het feit dat ik teruggekomen ben voor de Japanners een teken is dat ik serieus ben. Ze hechten veel waarde aan persoonlijke relaties en aan continuïteit.” Hij heeft hier contact gelegd met een Japanse distributeur en producent die de belangstelling voor Luskes werk in Japan gaat peilen. Ook meubelontwerper Peli vindt het nu al de reis- en verblijfkosten waard: al talloze malen heeft hij op verzoek zijn ‘Clic’ tafels en stoelen uit elkaar gehaald en weer in elkaar geklikt. „Dankzij een subsidie van de EVD voor starters op buitenlandse markten kon ik het vervoer en de vertaling van mijn pr-materiaal in het Japans betalen.” Dat laatste heeft hij vormgegeven als een plaat Trespa met daarin gestanst een mini-Clic-stoel en een mini-cdrom – in het Japans.

Het meeste werk is – met het oog op de transportkosten – klein en toegepast, niet het soort conceptuele design waarmee Nederland zo bekend is geworden. „Dat komt deels door de eis van 100% Design dat alles wat hier te zien is, al in productie moet zijn”, zegt David Heldt van Tuttobene. „Vorig jaar hebben ze zelfs nog ontwerpen hierom afgewezen. Dit zijn jonge, beginnende ontwerpers met een eigen bedrijf die een buitenlands netwerk van producenten en distributeurs aan het opbouwen zijn. De Richard Huttens en Marcel Wandersen vind je hier niet, die hebben hun weg al gevonden.” Bovendien, zegt Heldt, hanteert de EVD als subsidiënt het principe van wie het eerst komt die het eerst maalt. „En dat is een andere werkwijze dan selecteren op kwaliteit.”

Dit is de derde keer dat de Premsela Stichting het initiatief neemt tot deze presentatie in Tokio. Dat er wederzijds interesse is, en belang, is duidelijk, maar is het organiseren van een inzending aan een commerciële beurs een taak voor Premsela? „Nee”, zegt Hester Swaving die er voor buitenlandse activiteiten verantwoordelijk is, „maar het is wel een middel tot een doel. Op deze manier kunnen we ontwerpers koppelen aan Japanse bedrijven. De afgelopen twee jaar had Koninklijke Tichelaar een presentatie hier op 100% Design, nu liggen hun producten hier in de winkels. Premsela wil graag de culturele en de economische werelden in elkaar schuiven. We willen deze beurs gebruiken om een netwerk op te bouwen en laten het dan los. We zijn nu in gesprek met 100% Design Shanghai.”