Mantegna is de schilder van sombere grootsheid

Andrea Mantegna in het Louvre, Parijs. Tot 5 januari 2009. Geopend 9-18 uur, za tot 20 uur, wo en vrij tot 22 uur, di gesloten. www.louvre.fr ****

Het meest hield de schilder Andrea Mantegna (1431-1506) van steen en dode natuur. Het is al zichtbaar in een vroeg paneel (ca. 1449, 48 x 36 cm) van Hieronymus, gezeten voor zijn grot in de woestijn. De uitgemergelde heilige is gekleed in een transparant, lichtblauw gewaad en aan zijn voeten ligt de rode kluizenaarshoed. Dit, en een stukje blauw van de lucht, is de enige kleur in een verder vrijwel monochroom bruingrijs landschap. Nauwkeurig schilderde Mantegna geologische lagen en barsten en groeven in de rotsblokken. Rotsen en stenen zijn aaneengesmeed tot een groot sculpturaal reliëf dat zich over Hieronymus heen welft en naar voren voren lijkt te steken uit het schilderij.

Het specifieke van Mantegna wordt duidelijk in vergelijking met het werk van anderen. In Het Gebed van Jezus in de Hof van Gethsemane, geschilderd door zijn zwager Giovanni Bellini, zien we vooral een weids en sereen landschap, en in het midden knielt Jezus op een nepheuveltje. Dezelfde voorstelling geschilderd door Mantegna (1453) toont één wervelende steenmassa, culminerend in hoge rotspunten die boven alles, inclusief zwevende engeltjes, uittorenen. Een tentoonstelling van Mantegna in het Louvre maakt dit soort vergelijkingen mogelijk omdat er niet alleen schilderijen, tekeningen en prenten van Mantegna zijn te zien, maar ook een groot aantal werken van tijdgenoten.

Mantegna was al bij zijn leven een van de meest gewaardeerde schilders van de Renaissance. Als hofschilder van de Gonzaga’s in Mantua kon hij het zich permitteren om naar eigen ontwerp een palazzo-achtig huis te laten bouwen waar hij zijn collectie antieke sculpturen en fragmenten onderbracht. Voor de geleerde humanisten was Mantegna’s schilderkunst, met zijn aandacht voor archeologie en antieke cultuur en met zijn strenge monumentaliteit, de perfecte belichaming van het ideaal van de Renaissance in Noord-Italië.

Maar dat was niet het enige. Mantegna had veel geleerd van de Vlaamse schilderkunst van bijvoorbeeld Jan van Eyck. Het is te zien in de aandacht voor details, zoals de klompen die Hieronymus uit heeft gedaan, en ook in de tekenachtige verfijning van de portretten. En ook al is er altijd meer steen en architectuur op zijn schilderijen dan landschap, toch was Mantegna zeer bedreven in het atmosferisch perspectief. In het drieluik van de Hof van Gethsemane, de Kruisiging en de Wederopstanding (1456-59) is prachtig het onderscheid te zien tussen ochtendgloren en avondlucht.

Wat kon Mantegna eigenlijk niet? De regels van het perspectief beheerste hij volledig en hij speelde er vrijelijk mee. De barsten in het stenen plateau van Golgotha zijn tegelijk perspectivische lijnen die leiden naar de rand van het plateau, dat gekromd is als een horizon. Golgotha als microkosmos, ingebed in een macrokosmos die oneindig is, voorbij aan de groene heuvels in de verte. Soms is ook navoelbaar hoe nieuw het perspectief was, en hoe dichtbij nog steeds de Byzantijnse schilderkunst. De jonge martelares Justine, in roze gewaad en met in haar hand een palmtak, symbool van martelaarschap, is afgebeeld voor een monochrome gouden achtergrond. Maar zij staat op de rand van een vloer die illusionistische diepte schept, zodat het goud, dat in de Byzantijnse schilderkunst dimensieloos is, plotseling een duizelingwekkende ruimte wordt. Op dit soort momenten zie je dat Mantegna een overgangsfiguur was naar een nieuwe tijd.

Er blijft iets ongrijpbaars en onopgelosts in de schilderkunst van Mantegna. De monumentaliteit en het scherpe tekenachtige ervan is koud, en schept afstand. Frivole thema’s, of onderwerpen met een al te moraliserende strekking, lagen hem dan ook minder goed, zoals te zien is in Minerva die de ondeugden verjaagt uit de tuin van de deugd (1500-1502), geschilderd voor het ‘studiolo’ van Isabella d’Este. Het theatrale ervan werkt op de lachspieren. Mantegna is de schilder van sombere grootsheid. Bij hem is de dode natuur hard en sculpturaal, en veel meer aanwezig dan de levende dingen. Het meest indrukwekkend heeft hij dit verbeeld met zijn Dode Christus, in de collectie van de pinacotheek van Brera in Milaan, en helaas niet in het Louvre.

Maar het is ook te zien in een ander hoofdwerk van Mantegna, de Heilige Sebastiaan (1478-80). Dit reusachtige doek van 255 x 140 centimeter, geschilderd met eitempera, is mat, alle kleur is er uitgezogen. Weliswaar is het eitempera zelf in de loop van de tijd vergrijsd, maar het is duidelijk een keuze van de schilder: de enige kleur is het geel en rood helemaal rechtsonder, van de twee tunieken van de beulen. Mantegna was een keiharde realist, een materialist zelfs, voor wie alleen dood en vergankelijkheid werkelijk waren.