In een vertrouwelijk rapport voorspelden wij het einde van de IJslandse banken

Een vooraanstaand economenechtpaar kreeg begin 2008 het verzoek de financiële problemen van IJsland te bestuderen. Hun conclusie was dat het ‘kwetsbare kwartet’ van een klein land met grote banken, een eigen munt en beperkte ruimte in de begroting het bankmodel van IJsland niet levensvatbaar maakte. Ze kregen gelijk.

Buiter werd in Nederland geboren en is hoogleraar Europese politieke economie aan de London School of Economics and Political Science. Zijn echtgenote Sibert is hoogleraar en hoofd van de School of Economics, Mathematics and Statistics van Birkbeck College in Londen.

Nu het allerslechtste scenario werkelijkheid is geworden, zowel voor de IJslandse banken als voor IJsland zelf, bestaat voor ons niet langer reden vertrouwelijkheid in acht te nemen voor het rapport dat wij in juli aan IJsland hebben uitgebracht. Dat enkele in het rapport getrokken conclusies van bredere betekenis zijn, is reden temeer.

Landsbanki had ons begin 2008 verzocht een rapport te schrijven over de oorzaken van de financiële problemen van IJsland en zijn banksector en de mogelijkheden die de banken en de IJslandse autoriteiten ter beschikking stonden om die problemen te verhelpen.

In ons rapport The Icelandic banking crisis and what to do about it: the lender of last resort theory of optimal currency areas constateerden wij dat IJsland in een zeer kort tijdsbestek een internationaal actieve banksector had gecreëerd die in verhouding tot zijn bijzonder kleine economie van reusachtige omvang was. Aangezien het land ook een eigen munt kende, luidde onze centrale stelling dat dit ‘bedrijfsmodel’ voor IJsland niet houdbaar was.

Wij schreven ons rapport ruim voordat de wereldwijde financiële crisis op 15 september, de dag dat Lehman Brothers uitstel van betaling aanvroeg, in een stroomversnelling belandde. De laatste speculatieve aanvallen op de drie internationaal actieve IJslandse banken – Glitnir, Landsbanki en Kaupthing – en op de IJslandse kroon komen in het rapport daarom niet aan de orde. Deze aanvallen hadden in de loop van oktober tot gevolg dat voornoemd bankentrio onder curatele werd gesteld en dat de IJslandse regering bij het IMF aanklopte voor een lening van 2 miljard dollar en bij haar vier Scandinavische buurlanden om een lening van 4 miljard dollar.

Tijdens de doodsstrijd van het IJslandse internationale bankwezen begingen de IJslandse autoriteiten een aantal missers. David Oddsson, de gouverneur van de IJslandse centrale bank, spande daarbij de kroon. Het regeringsbesluit van 29 september om een belang van 75 procent te nemen in Glitnir, veranderde een bancaire kredietcrisis in een nationale kredietcrisis. Gelukkig werd Glitnir onder curatele gesteld voordat de aandeelhouders de tijd hadden de overname door de overheid goed te keuren. Vervolgens, op 7 oktober, maakte de IJslandse centrale bank een koppeling van de kroon aan de euro bekend zonder over de financiële reserves te beschikken om die te ondersteunen. De koppeling van de valuta werd dan ook een van de kortste uit de geschiedenis. Eind oktober bestond er geen functionerende valutamarkt voor de IJslandse kroon.

De val van Kaupthing, de IJslandse bank die het langst op de been bleef, is waarschijnlijk versneld door ongehoorde intimidatiepraktijken van de Britse regering. Deze beriep zich op de Anti-Terrorism, Crime and Security Act van 2001, aangenomen na de terreuraanslagen van 11 september, om tegoeden van Landsbanki en Kaupthing in het Verenigd Koninkrijk te bevriezen. Het officiële excuus van de Britse autoriteiten voor dit schandelijke gedrag was de mededeling van de IJslandse regering dat zij depositogaranties voor spaargelden bij Britse dochtermaatschappijen van IJslandse banken niet zou nakomen. De transcriptie van het belangrijkste gesprek dat de Britse en IJslandse regering over de kwestie voerden, maakt één ding duidelijk: als het verhaal van Pinokkio op waarheid berust, lopen velen in het Britse ministerie van Financiën met een langere neus rond dan gewoonlijk.

Echter, de ondergang van de IJslandse banken is niet veroorzaakt door de dramatische ontwikkelingen en het wanbeleid van de afgelopen drie maanden. In januari 2008, toen wij de problemen van IJsland begonnen te onderzoeken, was meteen duidelijk dat het bankmodel van het land niet houdbaar was. Met als fundamentele oorzaak dat IJsland het meest extreme voorbeeld ter wereld is van een bijzonder klein land met een eigen munt en een internationaal gepositioneerde financiële sector die in verhouding tot het nationaal inkomen en de budgettaire armslag van enorme omvang is.

Zelfs als de banken fundamenteel solvabel zijn, maakt de combinatie van een zeer klein land en een zeer kleine valuta het hoogst onwaarschijnlijk dat de centrale bank als een effectieve geldschieter van vreemde valuta of als een market maker in laatste instantie kan fungeren. Zonder zo’n geldschieter en market maker is er altijd sprake van een evenwicht waarin een ‘run’ op de bank een solvabel systeem via een liquiditeitscrisis onderuit kan halen. Een grote, internationaal actieve banksector die niet het gevaar loopt door traditionele of moderne bankruns insolvabel te raken, is voor een klein land als IJsland alleen weggelegd wanneer het toetreedt tot de EU en een volwaardig lid van de EMU wordt. Had IJsland een internationale reservevaluta als nationale munt gehad en volledige toegang genoten tot de liquiditeitsvoorzieningen van het eurosysteem, dan zou geen enkele IJslandse bank uitsluitend om liquiditeitsredenen bankroet zijn gegaan. Als IJsland niet voor toetreding tot de EU en de EMU voelde, had het geen omvangrijke banksector met internationale belangen moeten opbouwen die binnen de eigen landsgrenzen domicilie hield.

Dit was duidelijk in juli 2008, zoals het ook al duidelijk was in april 2008 en januari 2008. Het is onze stellige overtuiging dat het ook in 2006, 2004 of 2000 duidelijk had moeten zijn. Het bedrijfsmodel van de banken en de internationale bancaire ambities van IJsland waren niet verenigbaar met de geringe omvang van het land en zijn onbelangrijke munt, ook al kenden de banken geen fundamentele solvabiliteitsproblemen. Dat laatste was ook de mening van columnist professor Richard Portes die op 13 oktober in The Financial Times schreef dat „Glitnir evenals de IJslandse banken Landsbanki en Kaupthing solvabel was. Deze drie banken hadden goede resultaten over het eerste halfjaar bekendgemaakt, kenden gezonde solvabiliteitsverhoudingen en waren niet sterker afhankelijk van marktfinanciering dan hun concurrenten. Geen van de banken had ‘giftige’ activa.”

Maar de vereiste aanpassingen zouden de economische en politieke mogelijkheden van het land al snel te boven gaan. Als het solvabiliteitstekort in het banksysteem groter is dan de budgettaire reserve van de regering, blijft er slechts één keuze over: financieel onvermogen van de banksector of financieel onvermogen van het land. De IJslandse regering heeft terecht besloten dat de belastingbetalers en de begunstigden van overheidsuitgaven (die sowieso zwaar worden getroffen) voorrang verdienen boven de buitenlandse en binnenlandse crediteuren van de banken (afgezien van de verzekerde spaarders).

De omstandigheden van IJsland waren buitengewoon. In minder extreme vorm geven echter ook andere landen blijk van dit fundamenteel inconsistente – of minimaal kwetsbare – kwartet factoren: (1) Een klein land met (2) een grote, internationaal actieve banksector, (3) een eigen munt en (4) beperkte budgettaire reserves in verhouding tot de potentiële omvang van het solvabiliteitstekort van de banksector.

In dit verband moet worden gedacht aan Zwitserland, Denemarken, en Zweden en tot op zekere hoogte zelfs het Verenigd Koninkrijk, al is dit land beduidend groter dan de andere en heeft het een belangrijke munt. Maar als reservevaluta is het Britse pond op het tweede plan geraakt.

Ierland, België, Nederland en Luxemburg genieten het voordeel van de euro, een internationale reservevaluta, als nationale munt. Voor de banksector in deze landen zou een gebrek aan liquide middelen niet fataal moeten zijn. Echter, gelet op hun beperkte budgettaire capaciteit kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de mogelijkheden van deze landen om ernstige, fundamentele solvabiliteitskwesties in hun banksector te bestrijden.

Bron: www.mejudice.nl