'Ik was trots. Het was hem gelukt'

‘Paul is twee jaar geleden zelf uit het leven gestapt. Hij was 72 en wist sinds anderhalf jaar dat hij leed aan de ziekte van Alzheimer. Bij die ziekte kom je in een gemene fuik terecht. Zolang je nog goed bent, wil je niet dood. En als je niet goed meer bent, kun je die beslissing niet meer nemen. Dus moet je het eigenlijk te vroeg doen.

Hij heeft de medicijnen zelf gekocht. Hij wilde niet dat ik of de kinderen er gedonder mee zouden krijgen. Daar was ik ook bang voor. Dat mensen niet zouden geloven dat hij het echt zelf had gewild en gedaan.

De laatste week draaiden we als een soort ritueel elke ochtend een strijkkwartet van Bartók. De laatste avond was mooi. We hebben met de kinderen nog een goede wijn gedronken en luid met Ramses Shaffy meegezongen.

In de zomer van 1998 heb ik voor het eerst iets aan Paul gemerkt. Hij werd onhandig met apparaten – telefoons, parkeermeters. Hij werd onzeker, bang dat hij de dingen niet goed regelde, dat ze niet liepen zoals hij wilde.

We kregen misverstanden. Vroeg ik: wil je even dat bakje van het buffetje halen. Dan zag hij geen bakje, want hij vond het een doosje. Een tijd lang vatte hij alles wat je zei op als verwijt. Als ik zei: wat een rotweer vandaag, zei hij: dat is toch niet mijn schuld! Het was op eieren lopen voor mij.

’s Nachts had hij angstaanvallen, vooral als we niet thuis waren. Met een beetje storm was hij bang dat zijn auto weg zou waaien. Of hij vroeg opeens waar zijn papieren waren.

In 1999 onderging hij een onderzoek bij de geheugenpoli van het Leids Universitair Medisch Centrum. Daar kwam niets uit. Pas bij een tweede onderzoek in 2003 vond het VU-ziekenhuis een mild cognitive impairment. Dat is een soort voorstadium van Alzheimer. Paul bleef zeggen: zolang ik geen Alzheimer heb, heb ik niets. Maar hij zei ook, al heel vroeg, dat hij het niet ging uitzitten als hij het wel had.

Wij hadden al sinds 1974 een euthanasieverklaring. Vanaf de eerste vermoedens van dementie hebben we erover gepraat met de huisarts. Zij was niet tegen euthanasie als iemand terminaal was en leed. Maar bij Paul kon ze het niet invoelen, zei ze. Het is ons niet gelukt een andere huisarts te vinden die het wel zou willen doen.

Eind 2003 zijn we naar Ton Vink gegaan van de stichting De Einder, die mensen met een doodswens steunt. Ik had daar een paar jaar als vrijwilliger op de administratie gewerkt. Ik maakte ook hun intervisiedagen mee, waarop counselors vertelden welke moeilijkheden ze tegenkwamen. Zo wist ik wat een integere club dat was.

Ton Vink vroeg Paul nog eens op papier te zetten hoe hij het voelde. Hij heeft het gedicteerd, ik heb het in de computer gezet. „Ik wil zeker niet dement door het leven gaan, omdat het leven dan geen waardigheid en inhoud meer heeft. En dus zinloos is. En ook een verschrikking zal zijn voor andere mensen, vrienden en familieleden.” Een dag voor zijn dood heeft hij het opnieuw gelezen en zijn paraaf erbij gezet.

In maart 2005 werd de diagnose Alzheimer gesteld. In juni 2006 heeft hij het besluit genomen dat het zo echt niet verder kon. Dat was na een grote angstaanval. Hij zou met mijn zoon naar het Alzheimercafé gaan, wat hij regelmatig deed. Maar mijn zoon stond in de file en was veel te laat. Toen is hij in paniek geraakt. Ik heb dat niet gemerkt, ik was uit met mijn dochter. De volgende ochtend zei hij dat hij die angstaanvallen niet meer aankon. Dat hij er nu goed over na ging denken. Hij dacht nog twee maanden nodig te hebben om alles af te ronden. Zo is het ook gegaan.

Na onze vakantie in Frankrijk zijn we het gaan regelen. De muziek. De tekst op de kaart. Afscheid nemen. De familie is klein, maar de vriendenkring groot. Dat is heftig geweest. We hadden vrienden die zijn ziekte niet zagen. Fysiek was er niets aan de hand, hij liep wekelijks een etappe van het Groene Hartpad met mijn dochter. Zodra hij onder de mensen was, bloeide hij op. Sommigen vonden dat hij er nog niet aan toe was om eruit te stappen,

Ik twijfelde ook vaak of het wel een goed besluit was. Of ik het wel wou. Ik wou hem niet kwijt! We waren soms zo verdrietig. Hij hield van het leven. En ons laatste jaar was heel goed. De boosheid van het begin was er niet meer zo.

Twee weken voor de datum die we hadden geprikt, hebben we mensen gevraagd niet meer te bellen. Toen zijn we naar Vlissingen gegaan, waar we vaak kwamen. Een hotel op de boulevard. Zaten we op het balkonnetje, in de ondergaande zon.

De dag zelf was een nare, lange dag. We hadden afgesproken dat hij om 9 uur ’s avonds de middelen zou innemen. Met de gedachte: ‘dan ga je vroeg naar bed en word je niet meer wakker’. Die dag hebben we doorgeworsteld. Muziek gedraaid, foto’s bekeken. Mijn zoon heeft zijn haar nog geknipt.

Rond 9 uur is hij naar de slaapkamer gegaan en heeft hij die rommel geslikt. Daarna was hij erg gelukkig. Alles viel van hem af. Dat heeft ons ontzettend geholpen. Wij hebben bij hem gezeten, nog een glas wijn gedronken. Toen viel hij in slaap.

Ton Vink was er ook, in de woonkamer. Paul vond het prettig dat er een deskundige bij was. Het gaf ons het gevoel dat we niet alleen waren. Toen Paul rustig sliep, is hij vertrokken.

We hadden verwacht dat hij na acht of negen uur zou overlijden. Maar dat gebeurde niet. Hij is drie dagen later overleden. Dat schijnt vaker voor te komen, in één op de vijf gevallen. Het kwam misschien door de medicijnen die hij toch al slikte. Zelf denk ik dat hij in topconditie was door het vele wandelen. Sommige mensen zeiden dat het kwam doordat het niet de goede middelen waren. Maar dat is onzin. Het was het beste waar je zelf aan kan komen.

Als er een arts bij is, geeft die na zekere tijd een prikje. Die mogelijkheid hadden wij niet, wij moesten het echt uitzitten. De huisarts heeft met een lampje in zijn ogen geschenen. Ze zei dat hij in een diep coma was.

Hij stierf uiteindelijk midden in de nacht. Ik lag naast hem te slapen met een pilletje, de kinderen kwamen elk uur kijken. Mijn dochter merkte dat het stil geworden was. Het was een grote opluchting. Ik was trots. Het was hem gelukt! Op de crematie heb ik de eerste toespraak gehouden. Zo van: ik zal ze wel eens vertellen dat dit goed was. Dat we blij waren. Zonder dat het iets afdeed aan ons verdriet.

Wij hebben de huisarts gebeld en die heeft de dood geconstateerd. De schouwarts heeft de politie gebeld, wegens niet-natuurlijke dood. Ze hebben hier rondgekeken. Om half elf, diezelfde ochtend, belde een rechercheur al dat het lichaam was vrijgegeven.

Veel mensen vragen of we niet geprobeerd hebben Paul ervan te weerhouden. Maar wat hadden wij ermee te maken? Het was zijn leven. Zijn beslissing. Stel dat wij hem hadden tegengehouden en hij was in een verpleeghuis terechtgekomen. Hij wilde dat niet. Dan had ik me daar vreselijk schuldig over gevoeld.

Het is een goed besluit geweest. Paul was iemand die zelf de regie over het leven voerde. Hij zei dat hij geen natte broeken en rolstoelen wilde, maar dat was het niet. Hij vond het zinloos. Geldverkwisting. Beneden zijn waardigheid. Als je zo iemand wilt tegenhouden, doe je dat niet voor hem, maar voor jezelf.

Mensen zeggen ook: wat geweldig dat hij dat voor jullie gedaan heeft. Maar het was in de eerste plaats voor hemzelf. Toch ben ik hem eigenlijk steeds dankbaarder. Ik heb mijn vrijheid terug, mijn stijl van leven. Het is niet mijn keuze geweest en ik had tot het einde toe voor hem willen zorgen. Maar het voelt toch een beetje alsof ik de dans ben ontsprongen.’

Opgetekend door Joke Mat

Wilt u reageren? Zie oproep op pagina 33