Het hart, het hoofd en de ontwikkelingshulp

Vorige week stuurde de OESO, de organisatie van industrielanden, een brandbrief aan de regeringsleiders van de lidstaten. Topman Gurría toonde begrip voor de economische situatie. Maar hij wees ook op de recessie begin jaren negentig. De uitgaven voor ontwikkelingshulp liepen toen flink terug. Dat moest niet weer gebeuren. Hoofd en hart moeten volgens Gurría in evenwicht blijven.

Ook in Nederland staat een moeilijke economische periode voor de deur. Die valt samen met een felle discussie over nut en noodzaak van ontwikkelingshulp. Het debat spitst zich toe op de vraag of Nederland zich moet houden aan een oude belofte: het besteden van 0,7 procent van het bruto nationaal inkomen aan ontwikkelingssamenwerking. Behalve Zweden, Denemarken, Noorwegen en Luxemburg doet geen enkel land dat. Het gemiddelde van alle OESO-landen samen bedraagt slechts 0,31 procent. Nederland gaf in 2007 met 6,2 miljard dollar (zo’n 5 miljard euro) anderhalf maal zoveel hulp als het vier maal grotere Italië.

Dat is veel geld. Het is goed dat het debat daarover op gang komt. Bovendien is er reden om te twijfelen aan de doelmatigheid ervan. Het geld wordt niet altijd effectief besteed. De landen die de hulp ontvangen, zijn vaak niet in staat om het adequaat te absorberen of worden zo bestuurd dat de hulp corruptie en nepotisme in de hand werken. Economische vrijheid en groei zijn bovendien veel krachtiger factoren bij armoedebestrijding dan hulp. Het Westen zou zich beter op het vrijmaken van de eigen afzetmarkten kunnen richten.

In Nederland lijkt zich bovendien een gepolitiseerd belangennetwerk te hebben genesteld. Door dat ‘ontwikkelingshulpcomplex’ is de effectiviteit van de bestedingen en de objectiviteit van beslissingen daarover nog maar moeilijk te boordelen. Het wordt dus tijd dat minister Koenders (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) deze rommelzolder van gevestigde belangen eens opruimt. Een kritisch evaluatierapport over de hulp aan Afrika in opdracht van de minister zelf, eerder dit jaar, geeft genoeg aanleiding om de bestedingen tegen het licht te houden. Volgende week kan de Tweede Kamer daarmee, tijdens de behandeling van de begroting van minister Koenders, beginnen. Daarbij moet stevig worden gedebatteerd over hoofd én hart. Ontwikkelingssamenwerking is weliswaar niet alleen caritas. Nederland heeft er mede zijn ‘soft power’ in de internationale arena aan te danken. Maar dat is geen reden om de effectiviteit niet consequent door te lichten.

Is daar de norm van 0,8 procent onlosmakelijk mee verbonden? Nee. Het debat moet wel in de goede volgorde worden gevoerd. Doel van ontwikkelingssamenwerking is het slechten van barrières met het oog op duurzame vooruitgang. De hulp wil zichzelf, idealiter, overbodig maken. Geld is daarbij een middel, geen doel.

Als het debat eerst over geld gaat, worden doel en middel verwart. Nu is die 0,8 procent doel op zichzelf. Als het doel wordt om dat percentage te verlagen, wordt dezelfde fout gemaakt als afgelopen decennia. Het bindt de kat op het spek. Het debat gaat dan niet meer over de besteding van de middelen maar om het verminderen ervan. Volgende week moet dus primair de doelmatigheid aan de orde komen. De vraag hoeveel daarvoor nodig is, volgt daar logisch uit. Uiteindelijk is 0,8 procent geen dogma.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

ontwikkelingshulp

In het hoofdredactioneel commentaar Het hart, het hoofd en de ontwikkelingshulp (Opinie & Debat, 8 november, pagina 10) wordt melding gemaakt van een norm van te geven ontwikkelingshulp van 0,7 procent en een norm van 0,8 procent. Het laatste percentage is een saldo: 0,7 procent van het bruto nationaal inkomen plus 0,1 procent voor klimaatproblematiek.