Herkansing voor hoogvliegers

Was het een briljante promotiestunt of betekenisvol toeval? Vorige week donderdag hield uitgeverij Prometheus een bijeenkomst in het oude hoofdkantoor van wijlen de ABN Bank aan de Vijzelstraat in Amsterdam. Het was de presentatie van het boek van Jeroen Smit, De Prooi, met de ondertitel: blinde trots breekt ABN Amro. Volgens een boekbespreking in deze krant is de absolute hoofdpersoon „bestuursvoorzitter Rijkman Groenink, die eind 1999 ondanks bezwaren van toenmalig eerste man Jan Kalff werd benoemd als nieuwe topman. Groenink speelt een hoofdrol, maar geen glansrol.” Uitgerekend op deze dag laat dezelfde Groenink weten dat hij zichzelf de ideale kandidaat vindt om als commissaris weer aan de slag te gaan bij wat er nog over is van zijn oude bank: „Er is niemand met zoveel specifieke kennis over ABN Amro als ik.”

Groenink lijkt zich geen illusies te maken over zijn kansen. Dat maakt het des te intrigerender dat hij toch deze vlieger oplaat. Aan de ene kant lijkt het op zelfkastijding, alsof hij opnieuw een lading hoon en verachting over zichzelf wilde afroepen. Die kreeg hij dan ook prompt: de onlinereacties op het bericht logen er niet om. Hij weet ook zelf wel, zegt hij, dat hij „in de publieke opinie een graaier is die de bank heeft verkwanseld”.

Dat doet het vermoeden rijzen dat er aan de andere kant een begin is van deemoed en schulderkenning bij deze controversiële ex-topbankier. Hij heeft het er nu over dat hij „bereid is zijn kennis en ervaring bij de bank en zijn bestuurservaring ten dienste te stellen van de bank en het Nederlandse publiek”. Dienstbaarheid is een nieuw register, een toon die niet eerder te horen was bij de man die de belichaming was van de „blinde trots” die ABN Amro uiteindelijk ten val bracht.

Ik ken Groenink niet en heb het dus alleen over zijn publieke persona – over de rol die hij als acteur neerzet op het Nederlandse bancaire en maatschappelijke toneel. Dan is het vooral wonderlijk dat het doek weer dreigt op te gaan, terwijl het publiek al bezig is de zaal te verlaten. Het stuk was toch al over, we hadden toch al gehuiverd over de hoogmoed en de val, we waren toch al gelouterd door de verblinding van de protagonist en de catastrofe die erop volgde? Als er dan tegen alle verwachting in nog een bedrijf moet komen, moet dat wel een aangrijpende nieuwe wending opleveren. Geen doorzagen op oude thema’s, dat levert slecht toneel op en een teleurgesteld publiek.

De dramatische kans die hier ligt, is dat de schurk van de eerste bedrijven in de laatste akte alsnog tot bezinning komt. Dat hij zijn fouten inziet, zich inspant om te herstellen wat gebroken is en uiteindelijk gelouterd uit zijn persoonlijke as herrijst. Groenink heeft gelijk, er zijn er maar weinig die zo veel weten over ABN Amro. Hij heeft er 34 jaar gewerkt en hij heeft zich ingespannen voor een levenswerk, ook al is dat mislukt. Ja, hij is met een grote zak geld vertrokken, maar daarvan zegt hij dat hij het niet wilde en niet nodig heeft. En hij heeft de behoefte iets goed te maken. „Ik ben meer dan bereid”, zegt hij.

De spil, het draaipunt van het klassieke toneelstuk, is de ommekeer van de hoofdpersoon wanneer hij beseft hoe verblind hij is geweest voor de krachtenvelden in zijn bestaan. Daarom moet er in het stuk ‘Rijkman en de blinde trots’ qua dramatische techniek wel iets veranderen aan het script en de regieaanwijzingen. Waar hoofdpersoon Groenink nu staat, in dit stadium van het verhaal, past hem geen aanbod van „ik ben bereid”. De enige houding die wel past is die van de man die tot inkeer is gekomen en vraagt om een nieuwe, laatste kans. Zonder inkeer moet hij niet aankomen met zijn oude ervaring, want die had hij ook al toen de bank onder zijn beheer naar de afgrond gleed. Hij zal duidelijk moeten maken dat hij iets geleerd heeft, dat er sprake is van nieuw verworven inzicht.

In de christelijke traditie is het oer-omkeerverhaal dat van de Verloren Zoon. Die stond er op het verste punt ook beroerd voor. Hij crepeerde van de honger, terwijl er bij zijn vader thuis volop te eten was. „Als ik terug wil, zal ik toch ten minste met een goed verhaal moeten aankomen”, bedacht hij, en hij verzon een theatrale spijtbetuiging – „Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden”. Het moest gezegd worden, ook al werd het door de vader snel weggewimpeld. De terugkeer van de zoon was niet mogelijk geweest als hij was aangekomen met een aanbod van „ik ben bereid weer mijn intrek bij u te nemen”.

Ook Groenink moet, als hij terug wil, in ieder geval erkennen dat hij fouten gemaakt heeft. En dat hij iets heeft geleerd, over leidinggeven en vooral over zijn eigen gedrag. Dat, om even te putten uit het boek van Jeroen Smit, conflict niet tot goed bestuur leidt. Dat je mensen om je heen niet moet kleineren. Dat analytische intelligentie niet voldoende is om een organisatie te leiden, maar dat je ook betrokkenheid moet uitstralen en creëren. Pas als hij die bekentenis uit zijn mond weet te persen, kan hij vragen – niet aanbieden – of hij alsjeblieft in het laatste bedrijf mag proberen iets te helen van de brokken die hij eerder heeft gemaakt.

Het is waar, Groenink weet veel van ABN Amro. Daarbij heeft hij de wens iets goed te maken. Dat siert hem. Als hij inderdaad zijn ommekeer heeft meegemaakt en daar heel duidelijk over is, kan hij in de slotakte nog goede dingen doen. Zo hij tot voor kort als arrogante hoogvlieger een boegbeeld was, kan hij het nu worden als herkansende maatschappelijke bijdrager.

En over dat niet gewilde, niet nodige en toch gekregen geld – het zou pas echt indruk maken als hij daar niet stilletjes toch de rente van opstreek, maar er afstand van deed.