Geen zee te hoog

De Deltacommissie komt met een aanvechtbare onderbouwing van de zeespiegelstijging.

Het KNMI geeft geen commentaar meer. Geen commentaar en geen toelichting. Wie wil weten wat het instituut van de kwestie vindt moet maar kijken op de site, daar voert het trefwoord ‘Deltacommissie’ naar het antwoord op veel vragen. Hoffelijk leggen de meteorologen uit waarom de Deltacommissie, die de Nederlandse regering moest adviseren over de gevolgen van de veranderende waterhuishouding, zo anders oordeelt over het wassende water dan het KNMI. Als het flink tegenzit, kan de zee voor de Hollandse kust tegen het eind van de eeuw wel 130 cm hoger staan, denkt de commissie. Het KNMI kwam tot voor kort maar half zo hoog uit.

Het zit hem in andere aannames en doelstellingen. Behulpzaam verwijst het KNMI naar de site van de Deltacommissie maar heel veel schiet de buitenstaander daar niet mee op. Er is veel leesbaars en verontrustends te vinden, maar niet het rapport dat de onderbouwing is van het commissie-oordeel over de zeespiegel: 130 cm in het ongunstigste geval. De commissie geeft het stuk nog even niet vrij omdat zij hoopt delen gepubliceerd te krijgen in Nature. Dat zei zij twee maanden geleden toen zij haar advies uitbracht en dat zei zij vorige maand toen deze krant er nog eens naar informeerde. En dat was ook begin deze week nog de stand van zaken.

“Maar er wórdt helemaal niet gepubliceerd”, zegt de Duitse hoogleraar Hans von Storch, een van de elf auteurs, “daar is het veel te lang voor. Ze moeten het eerst inkorten en dan zou ik daarvan horen. Maar ik hoor niets. Ze moeten een andere reden hebben om het niet naar buiten te brengen.”

Von Storch, verbonden aan het Duitse instituut voor kustonderzoek in Geesthacht, is geërgerd. “Ik heb dit nooit eerder meegemaakt. Als de Nederlanders zeggen dat de zeespiegel twee keer zo snel kan stijgen als wordt aangenomen, dan krijg ik daar in Duitsland natuurlijk vragen over. Maar ik kan dan niet naar een onderbouwing verwijzen. Als het om kustverdediging gaat houd ik me gewoon aan de berekening van het IPCC [Intergovernmental Panel on Climate Change – red.] . Mijn oordeel is dat er op dit moment geen extra inspanning nodig is.”

Het goede nieuws is dat de Deltacommissie eergisteren, na overleg met Nature, besloot het stuk toch aan belangstellenden ter inzage te geven. Ook wordt binnenkort een Nederlandse vertaling op de site gezet. Is daarmee de kou uit de lucht? Von Storch: “Ik had uit de tweede hand vernomen dat namens de Deltacommissie is gezegd dat die stijging van 130 cm in 2100 ‘heel waarschijnlijk’ is. Dat is een schandaal. Wat wij hebben gezegd is dat deze waarde niet valt uit te sluiten, het is een high end projection. Het is de hoogst denkbare bovengrens die bereikt wordt als alle ongunstige factoren tegelijk heel ongunstig zijn.”

VERONTRUSTEND

Von Storch drong aan op een rectificatie in de Nederlandse media. Uiteindelijk hebben commissieleden Louise Fresco en Cees Veerman op 24 september in de Volkskrant nog eens onderstreept dat de 130 cm een bovengrens is. En niet de meest waarschijnlijke feitelijke situatie in 2100. En sinds gisteren kan de belangstellende in het rapport ‘High-end projection for local sea level rise along the Dutch coast in 2100 and 2200’ zelf nagaan hoe de Deltacommissie tot haar verontrustende taxatie kwam. En waarom die zoveel hoger is dan die waar het ffn-klimaatpanel iP in zijn laatste rapport op uitkwam.

Dat rapport verscheen begin 2007. Aan de hand van een waaier aan klimaatmodellen en emissiescenario’s werd uitgerekend dat de mondiaal gemiddelde zeespiegelstijging tegen 2100 tussen de 18 en 59 cm kon bedragen, met een centrale waarde van ongeveer 38,5 cm. Deze uitkomst was - interessant genoeg - lager dan de waarden die het iP in eerdere rapporten noemde.

Van belang voor een goed begrip is dat het IPCC de toekomstige mondiale zeespiegelstijging probeert te schatten. Daarin schuilt een essentieel verschil met het werk van de Deltacommissie die geïnteresseerd is in de regionale stijging. En daarbij, met het oog op de kustverdediging, moest uitgaan van een plausibele bovengrens. Niet van grote waarschijnlijkheid.

SATELLIETEN

De derde verklarende factor komt van de onverwacht onstuimige ontwikkelingen in en aan het landijs van Antarctica en Groenland, zoals die zichtbaar werden toen satellieten werden ingeschakeld. Toen het iP begin 2007 volgens onwrikbare planning moest rapporteren, was nog maar kort tevoren een stroom publicaties verschenen over toenemende afvoersnelheden van gletsjers en ijsstromen en aannemelijk ijsverlies uit beide ijskappen. Satellieten die speciaal voor allerlei ijsobservaties waren ontwikkeld hadden schitterende waarnemingen gedaan. Maar een heldere, eenduidige interpretatie van die waarnemingen was nog niet goed mogelijk. De geregistreerde veranderingen konden een uiting zijn van natuurlijke variabiliteit of een heel nieuwe broeikastrend laten zien.

Het IPCC besloot voor zijn invloedrijke ‘Samenvatting voor beleidsmakers’ wél de veranderingen die tussen 1993 en 2003 waren waargenomen mee te nemen, maar niet de recente ontwikkelingen. In het lijvige, volledige rapport, dat een paar maanden later verscheen, heeft men met een soort noodgreep toch nog een extra zeespiegelstijging van maximaal 17 cm voor scaled-up ice sheet discharge pro memorie in de tabel opgenomen. Maar niet meegeteld.

De omissie is op 16 maart 2007 door David Vaughan aangekaart in Science en daar op 14 september 2007 opnieuw veroordeeld door Michael Oppenheimer (beiden auteur voor de Deltacommissie). Oppenheimer verwijt het IPCC een krampachtige omgang met onzekerheden. Uit angst consensus te verliezen worden maar zelden processen en veranderingen in rekening gebracht waarvan het IPCC niet volkomen zeker is. Beleidsmakers blijven daardoor soms onwetend van ontwikkelingen die grote risico’s met zich meebrengen. Oppenheimer noemde als tweede voorbeeld de carbon cycle feedback, het vermoeden dat de doorzettende opwarming extra CO2 uit de bodem zal vrijmaken en tegelijk de opnamemogelijkheden van de oceanen zal verkleinen. Daardoor kan de CO2-concentratie van de atmosfeer sneller oplopen dan steeds wordt aangenomen. Ook dat effect is door het IPCC buiten beschouwing gelaten.

Het IPCC is goedbeschouwd een verwijt gemaakt dat het omgekeerde is van het verwijt dat de Nederlandse Deltacommissie trof. Op 25 januari 2008 kreeg Oppenheimer in Science antwoord van Susan Solomon, medevoorzitter van de werkgroep die het IPCC-rapport samenstelde. We hebben de mogelijke invloed van de snelle, dynamische reacties van de ijskappen uitdrukkelijk genoemd, schrijft ze. Maar zolang we die niet kunnen kwantificeren tellen we hem niet mee. Doen we dat wel dan gaan mensen zich vastklampen aan getallen die misschien geen betekenis hebben.

SNEEUWVAL

In de ‘High-end projections’ voor de Nederlandse Deltacommissie is precies dat gedaan wat het IPCC weigerde te doen: er is toch geprobeerd een ruwe schatting te maken van het effect van de snelle veranderingen die pas heel recent op Antarctica en Groenland zichtbaar werden. Daarbij blijkt vooral de nieuwe aanname over het lange termijngedrag van Antarctica grote invloed te hebben op de mogelijke zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust. In de eerste plaats omdat er door het IPCC nog van werd uitgegaan dat Antartica door toenemende sneeuwval juist extra water zou gaan opslaan. In de tweede plaats doordat als gevolg van een merkwaardige speling van de natuur (zie verder) een zwaar ijsverlies aan de zuidpool voor Nederland waarschijnlijk ernstiger gevolgen heeft dan even zwaar ijsverlies op Groenland.

Het expertteam van het ‘High-end’-rapport heeft het tot 2100 te verwachten ijsverlies aan de Zuidpool willen schatten aan de hand van twee scenario’s: een gematigd (modest) scenario en een ernstig (severe) scenario. Het gematigde scenario berust in essentie op een extrapolatie van de vele waarnemingen die pas kort geleden zijn gedaan. Men neemt aan dat de ijsafvoer van een aantal gletsjers op Oost-Antarctica gewoon tot aan 2100 doorgaat zoals-ie nu is. Ook voor een waargenomen versnelling in de afvoer van de Pine Island gletsjer aan de Amundsen Zee van West-Antarctica (een versnelling die de snelheid steeds verder opvoert) wordt aangenomen dat-ie tot 2100 blijft bestaan. Hetzelfde geldt voor het huidige ijsverlies op het Antarctische schiereiland (dat dicht bij Vuurland ligt). Geraffineerder is de aanname niet. Het is samen goed voor een extra mondiale zeespiegelstijging van zo’n 7 tot 15 cm, niet ver van de waarde die het IPCC pro memorie vastlegde.

CATASTROFAAL

In het tweede, heftige scenario laten de experts van de Deltacommissie zich opeens helemaal gaan. In een handvol alinea’s probeert men aannemelijk te maken dat de waargenomen verschijnselen zich ook makkelijk catastrofaal kunnen gaan uitbreiden, op grond van schema’s die lang geleden werden vermoed en vorig jaar nieuwe theoretische steun kregen. Dan is opeens - huppetee - een ontwikkeling mogelijk die de zeespiegel tot aan 2100 zo’n 49 cm doet stijgen.

Men ontkomt niet aan de indruk dat hier met de botte bijl gehakt is. Er wordt pas een paar jaar vanuit satellieten naar de ijskappen gekeken. Niemand weet wat er allemaal schoof en bewoog vóór het moderne instrumentarium werd ingezet. Niemand weet hoe persistent of tijdelijk de ontwikkelingen zijn.

Toch wil glacioloog Roderik van de Wal van de Universiteit Utrecht (en commissie-auteur) de aanname uitdrukkelijk verdedigen. Maar hij brengt tegelijk opnieuw het doel van de exercitie baar voren: het vinden van een plausibele bovengrens.

De buitenstaander vraagt zich af waarom Nederlands beroemdste glacioloog, Spinozaprijswinnaar Hans Oerlemans, niet als auteur is uitgenodigd. Het zal toch niet zijn omdat deze als te kritisch bekend staat? Omdat de Deltacommissie koste wat kost hoog wilde uitkomen? Oerlemans heeft zich steeds verzet tegen vergaande extrapolaties van waarnemingen die misschien maar tijdelijke variaties in beeld brengen. Recent wees hij er in Science (25 augustus 2006) op dat niemand weet wat de ijskap van Antarctica zou doen als de aarde op dit moment niet opwarmde. Deze week hield hij zich liever buiten het dispuut.

Voor Groenland vinden de experts van de Deltacommisie met dezelfde eenvoudige methodiek ook meer ijsverlies dan het IPCC maar voor Nederland is dat waarschijnlijk van minder belang. Het High-end rapport bevat een intrigerende beschouwing over de invloed die het wegvallen van grote hoeveelheden ijs in Antarctica en Groenland heeft op het lokale zwaartekrachtsveld. De enorme hoeveelheid ijs die op Groenland ligt opgehoopt, oefent, geheel conform Newton, een zwaartekrachtswerking uit op zijn omgeving. Valt het ijs weg, dan neemt de zwaartekrachtswerking af en zal het zeeniveau in de regio dalen (ondanks de toevoer van water naar de oceanen). Op grote afstand kan het dan extra stijgen. Er zijn twee onderzoekers die dit zwaartekrachtseffect proberen te kwantificeren. De Canadees Jerry Mitrovica becijferde dat ijsverlies op Groenland maar minimaal effect heeft voor de zeespiegelstijging aan de Nederlandse kust. Van de mondiale stijging blijft voor de Nederlandse kust maar 20 procent over. IJsverlies aan de zuidpool komt hier juist bovengemiddeld hard aan (een versterkingsfactor 1,1, dus 10 procent extra). De Duitser Hans-Peter Plag, ook auteur voor de Deltacommissie, hanteert factoren van respectievelijk -2,5 en +2,6 voor Groenland en Antarctica. De indruk is dat de meeste wetenschappers de lijn Mitrovica volgen, zegt de Delftse onderzoeker Bert Vermeersen. “Wij komen er eigenlijk niet goed achter hoe Plag te werk gaat.” De Deltacommissie heeft geen keuze gemaakt, toevalig is het netto-effect van beide benaderingen voor de Nederlandse kust bijna hetzelfde.

THERMISCH EXPANSIE

Zoals bijgaande tabel laat zien hebben de experts niets kunnen veranderen aan de grote bijdrage die de vele krimpende gletsjers leveren aan de zeespiegelstijging. Wel is de verwachte bijdrage van de ‘thermische expansie’ van het zeewater naar boven bijgesteld. Men vond dat nodig omdat het iPCC de bovengenoemde carbon cycle feedback buiten beschouwing liet. Neemt men het effect wel mee dan kan de gemiddelde temperatuur op aarde rond 2100 met wel 6 graden (in plaats van 5,2) zijn toegenomen. Ook de oceanen zullen dan verder zijn opgewarmd met bijkomende gevolgen voor de uitzetting van dat water. Dat is altijd nog de voornaamste motor achter de zeespiegelstijging

Het valt niet mee de uitzetting van zeewater te berekenen. Warm water zet veel sterker uit dan koud water als dezelfde hoeveelheid warmte wordt opgenomen. Diep water zet weer sterker uit dan oppervlakkig water. De experts van de Deltacommissie hebben het zich niet moeilijk gemaakt: ze bepaalden de relatie die de afgelopen decennia tussen zeeniveau en luchttemperatuur gevonden is en trokken die lijn gewoon door naar 2100. Von Storch en Oerlemans hebben er geen goed woord voor over: volstrekt onaanvaardbaar. Von Storch: “Zo kan ik bewijzen dat baby’s door de ooievaar gebracht worden.”

Is een eindoordeel mogelijk over het High-end rapport? Het stuk sluit af met een beschouwing waarin op grond van geologisch onderzoek aannemelijk wordt gemaakt dat een zeespiegelstijging van 110 tot 140 cm per eeuw zich in het verleden geregeld voordeed. Daar staat weer een publicatie in Science (5 september 2008) tegenover waarin wordt voorgerekend dat meer dan 80 centimeter per eeuw niet waarschijnlijk is. Heeft Oerlemans een eindoordeel? “Het fundamentele tekort van het rapport is dat niet wordt aangegeven hoe groot de onzekerheden zijn. Ik kan wel mechanismen verzinnen die de zee tegen 2100 nog wel 50 centimeter verder omhoog brengen. Maar dan moet ik aangeven hoe waarschijnlijk dat is. Dat is hier niet gebeurd “