Geen boef, toch gepakt

„Als de politie me ziet, word ik weer de grens overgezet.” Nouadhibou is doorgangshaven en eindpunt tegelijk.

De laatste keer dat pastoor Jerôme een migrant begroef, was vier maanden geleden. De jongens die de zeereis niet overleefden, liggen in de achtertuin van zijn pastorie, achter een muur, onder een grauwe plak cement die de bleke zon weerkaatst. Vaak kent hij de doden die geïdentificeerd moeten worden. Soms ook niet. Dan gaan ze naar de moslimbegraafplaats. Pastoor Jerôme, zelf uit Nigeria, wil daar nog wel eens half-serieus mee dreigen. „Als iemand vertelt dat hij vertrekt met een gammele vissersboot, zeg ik: ‘Ik heb geen ruimte meer, hoor. Als je verdrinkt, leg ik je bij de moslims’.”

Toch, als er iemand is in Nouadhibou die de avonturiers steunt, dan is het wel pastoor Jerôme. Mauretanië is honderd procent islamitisch: bijna alle christenen die er wonen zijn buitenlanders. Zo komt het dat de uit de koloniale tijd stammende katholieke missie een trefpunt is geworden voor migranten uit alle windstreken: Nigerianen, Kameroenezen, Ivorianen, Malinezen, Gambianen. Dus als er weer eens iemand wordt gedeporteerd, is pastoor Jerôme altijd de eerste die het weet. „Gisteren nog belde een Nigeriaan die vaak klusjes voor mij doet. Hij was zomaar opgepakt, naar het politiebureau gebracht, ondervraagd en hup de bus in, naar de Senegalese grens.” De pastoor stuurde meteen geld voor een buskaartje. „Hij is alweer onderweg terug.”

De havenstad Nouadhibou is een stipje op de kaart van de immense zandvlakte die Mauretanië heet. Pas drie jaar geleden haalde een asfaltweg de stad uit zijn isolement. Nouadhibou is gebouwd door migranten, vreemdelingen, buitenstaanders. Vanuit de woestijn kwamen de nomaden, vanuit het buitenland de gastarbeiders.

Sommigen komen omdat in Nouadhibou altijd werk is: in de visserij, in de huishouding, in de haven. Anderen komen omdat ze naar Europa willen.

De Canarische Eilanden liggen 800 kilometer verderop. Een zeereis van vijf dagen. Als het meezit. Nouadhibou is eindpunt en doorgangshaven tegelijk.

De toestroom van Afrikanen die hun hoop op Europa hebben gevestigd, leidde in 2006 tot de komst van een andere, opmerkelijke groep vreemdelingen: de Spaanse guardia civil. Dat jaar verplaatste de grens tussen Afrika en Europa zich naar Mauretanië. In ruil voor ontwikkelingshulp mag Spanje met boten en helikopters langs de kust patrouilleren en uit zee geviste migranten terugzetten op Mauretaanse bodem. Daar worden ze overhandigd aan de Mauretaanse politie, opgesloten in een met Spaans geld ingericht detentiecentrum en zo snel mogelijk gedeporteerd.

Het detentiecentrum werd begin 2006 geopend in een oud schoolgebouw, niet ver van de katholieke missie, op een kale zandvlakte omringd door een heg van prikkeldraad. Een kruising tussen een opvangcentrum en een gevangenis. Guantánamo heet het in de volksmond. Een officiële naam heeft het niet. Evenmin is duidelijk onder wiens verantwoordelijkheid het valt. De verhoren door de Mauretaanse politie zijn rudimentair. Het eten wordt verzorgd door het Spaanse Rode Kruis. Zodra er genoeg gelukszoekers onderschept zijn, worden ze in bussen geladen en richting Mali of Senegal gereden.

In totaal zaten vorig jaar 3.527 zogenoemde clandestiene migranten voor korte of langere tijd vast in ‘Guantanamo’. Een kwalijke ontwikkeling, vinden tegenstanders. Zoals de Mauretaanse advocaat Youssouf Niane, die meewerkte aan een rapport dat Amnesty International over de behandeling van migranten schreef. De migranten kunnen niet „clandestien” zijn, zegt Niane. Er is in Mauretanië geen wet die emigratie verbiedt. „Het is niet verboden om naar Europa te gaan. Het is prima om mensenlevens te redden en te voorkomen dat migranten verkommeren op zee. Maar dat zou op zijn minst gedaan kunnen worden met inachtneming van de mensenrechten. Dit zijn mensen die werk zoeken, die geld willen verdienen, omdat dat in hun eigen land niet kan. Het zijn geen criminelen, ze vormen geen bedreiging voor de publieke orde.”

De buitenlanders in Nouadhibou merken dat de Mauretaanse politie steeds harder optreedt. De gastvrijheid, de tolerantie, de gemoedelijkheid zijn minder geworden, zegt de Nigeriaan Cyprien Okeke. Niet alleen de migranten op de vissersboten kunnen opgesloten worden, ook buitenlanders die hun droom allang hebben laten varen om in Europa opnieuw te beginnen.

Cyprien Okeke kwam acht jaar geleden naar Nouadhibou. „Ik heb een paspoort, verblijfsvergunning, rijbewijs, alles”, zegt hij trots. „Mijn papieren zijn allemaal in orde.” In zijn bakkerij had hij drie mensen in dienst toen hij vorig jaar oktober gearresteerd werd. Hij werd overgebracht naar de hoofdstad, waar de politie hem na twee weken in de cel op de bus zette en bij de grens met Senegal achterliet.

„Ze zeiden dat ik een mensensmokkelaar was”, zegt Okeke. „Dat zeggen ze tegen alle Nigerianen. Ik dacht dat het een grapje was, tot ze me opsloten in een cel met drugsgebruikers en criminelen. Ze hadden geen enkel bewijs. Toen ik terugkwam, was er ingebroken in mijn bakkerij. Al mijn apparatuur is gestolen. Ik moet weer van voren af aan beginnen.”

Okeke wil verhaal halen bij de Spaanse consul. „Op het politiebureau zeiden ze dat het bevel voor mijn arrestatie afkomstig was van de Canarische Eilanden. Maar bij het Spaanse consulaat zeiden ze: je moet niet bij ons zijn, ga maar naar de Mauretaanse politie.”

Sinds de oprichting van Frontex, het agentschap van de Europese Unie dat de Europese buitengrenzen moet bewaken, worden migranten in toenemende mate „gecriminaliseerd”, constateert de Franse sociologe Jocelyne Streiff. De politie op de Canarische Eilanden brieft de namen die zij uit verhoren krijgt meteen door aan collega’s in Mauretanië. Die pakt vervolgens mensen op zonder spoor van bewijs. Streiff schrijft in haar meest recente onderzoek: „De verplichting om onderscheid te maken tussen legale en illegale migranten, puur en alleen op basis van hun intenties, brengt een grote mate van willekeur met zich mee. Niemand kan zeggen of de Malinees die al enkele jaren schoonmaker is, niet op de volgende boot richting Europa zal zitten. En wie zegt dat de avonturier die vastberaden is naar Europa te gaan, niet een winkeltje opzet dat hem jarenlang of voor altijd in Nouadhibou zal houden?”

De antropologe komt al jaren in de dorre havenstad. „Tot ‘Guantánamo’ openging, werden migranten nooit lastiggevallen”, vertelt ze. „Nu worden er heuse razzia’s gehouden. Dat heeft alles met Frontex te maken. Migratie is hier nooit een issue geweest, zelfs niet tijdens de presidentsverkiezingen vorig jaar. Maar in de lokale kranten zie je dat het een thema begint te worden en dat dezelfde bewoordingen, dezelfde termen worden gebruikt die in Spanje en Frankrijk gangbaar zijn. Een taal die migranten in een slecht daglicht stelt.”

Fort Europa zet in Afrika kwaad bloed. Tijdens een debatmiddag in de katholieke missie wordt duidelijk hoe hoog de woede en frustratie jegens ‘de blanken’ kan oplopen. Een groepje Franse hulpverleners dat uitleg komt geven over het Europese migratiebeleid, wordt al snel de mond gesnoerd door een zaal vol jonge Afrikanen die allemaal een duit in het zakje doen. Een rasta die zich voorstelt als ‘Mamadou, nationaliteit: Afrikaan’ krijgt een donderend applaus. Een minderheid verdedigt het standpunt dat Afrikanen zichzelf moeten helpen en ophouden rijke landen overal de schuld van te geven. Een meerderheid maakt zich boos: over westerse steun aan Afrikaanse dictators, vreemdelingenhaat in Europa, neokolonialisme. Jullie in het westen, is de teneur, zijn hypocriet en racistisch.

In een verlaten, winderige zijstraat ergens in het centrum van Nouadhibou legt Seydou uit waar die woede vandaan komt. Alleen zijn ogen zijn zichtbaar. Een wikkeldoek beschermt zijn gezicht tegen opstuivend zand en herkenning. „Als de politie me ziet, word ik weer de grens overgezet.” Seydou is Malinees, broodmager, dakloos en platzak. Tot drie keer toe heeft hij geprobeerd de Canarische Eilanden te bereiken. Zijn twee broers in Spanje stuurden hem het geld. De laatste keer pakte de politie hem op nog voordat hij aan boord van een vissersboot kon stappen, op het strand.

Twee dagen zat hij in ‘Guantánamo’ voordat hij in Senegal werd gedumpt. Het detentiecentrum was onprettig, maar niet erger dan een Mauretaans politiebureau, zegt Seydou. „Je wordt 24 uur per dag in de gaten gehouden, maar je krijgt er tenminste te eten. Dat is meer dan je in een Mauretaanse cel kunt verwachten.” Waar het om gaat, zegt Seydou, is dat Afrikaanse jongeren onmogelijk legaal in Europa aan de slag kunnen. „Ik zie vaak blanken hier. Zij hebben geen visumproblemen. Maar als wij een visum willen voor een Europees land, maken we geen kans. Het enige wat ik wil, is werk dat me genoeg oplevert om iets opzij te zetten en voor mijn ouders te zorgen. Denk je dat ik een illegaal wil zijn? Natuurlijk niet. Maar jullie dwingen me ertoe.”