Een zwarte man in het Witte Huis luidt het afscheid in van de etnische hokjesgeest

Obama: een land is niet alleen optelsom van etnische en religieuze groepen

Publicist. Bekleedt de Wibautleerstoel Grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam. Auteur van onder meer ‘Het land van aankomst’ (De Bezige Bij)

De eerste keer dat ik van Barack Obama hoorde, was tijdens een massale demonstratie van illegale immigranten in Chicago. Ruim vierhonderdduizend van hen waren twee jaar geleden op 1 mei bijeengestroomd op Union Square. Daar werden ze toegesproken door de jonge senator, die ze een hart onder de riem stak, maar tegelijk in niet mis te verstane woorden de demonstranten herinnerde aan de rechten en plichten van het Amerikaanse burgerschap. Een paar dagen later vatte Obama zijn toespraak samen: „Ik heb erop gehamerd dat deze werknemers zonder verblijfsvergunning, die hopen dat ze op een dag staatsburger kunnen worden, moeten begrijpen dat burgerschap vraagt om een gedeelde taal, een gedeeld geloof in het land, gemeenschappelijke verplichtingen en doelstellingen.”

En of dat nog niet genoeg was voegde hij er streng aan toe: „trouw aan de vlag”. Dat verwees naar een controverse rond de demonstratie, waarin veel Mexicaanse vlaggen werden meegevoerd: „Ik denk niet dat ze daarmee hun zaak hebben gediend, want ze wekten de indruk zich niet te willen voegen in het traditionele patroon van immigranten die deel worden van de hoofdstroom van de Amerikaanse cultuur. Ik denk dat ze daarvoor moeten kiezen, want het wezen van dit land is dat we in verscheidenheid samenkomen als één.”

Eenheid in verscheidenheid is het credo van Amerika – E pluribus unum – en bevat natuurlijk een onoplosbare spanning, die wezenlijk is voor de dynamiek van het land sinds de onafhankelijkheid. Er zijn periodes geweest waarin de eenheid sterker werd beklemtoond en periodes waarin juist de verscheidenheid meer aandacht kreeg. Na jaren van nadruk op etnische of raciale verschillen, ligt de kracht van Obama in zijn vermogen om die verschillen te overbruggen en een gemeenschappelijk ideaal van Amerika aan de kiezers voor te houden. Zoals hij het dinsdagavond in Grant Park zei: „In this country we rise or fall as one nation.”

Een deel van zijn aantrekkingskracht – ook voor veel blanke kiezers – is dat hij een relatieve buitenstaander is in de bittere geschiedenis van zwart Amerika. Vandaar dat hij met argusogen wordt bekeken door de meer radicale vertegenwoordigers van die gemeenschap, zoals Louis Farrakhan of Al Sharpton. Als zoon van een Keniaanse immigrant en een blanke moeder uit Kansas is Obama niet de belichaming van de geschiedenis van de slavernij en de daarop volgende segregatie. Zijn levensverhaal is dat van een kind van een immigrant en dan ook nog eens uit een gemengd huwelijk. Zo schrijft hij in zijn eerste boek Dreams from my father (1995) dat hij het soms wegwerpend had over ‘die blanke lui’: „En dan herinnerde ik me plotseling de glimlach van mijn moeder en de woorden die ik zojuist had gesproken kwamen me pijnlijk en onheus voor.”

Geen ideaal zonder levensverhaal. Obama grijpt op een natuurlijke manier terug op de oorspronkelijke voorvechters van de burgerrechten uit de jaren vijftig en zestig, die Amerika telkens aan zijn gelijkheidsideaal wilden herinneren. Zoals de zwarte schrijver James Baldwin het in The fire next time (1963) formuleerde: „Willen we werkelijk één natie worden, dan hebben wij zwarten en blanken elkaar ten diepste nodig. Het is afschuwelijk moeilijk gebleken om één natie te scheppen, er is zeker geen behoefte om er twee in het leven te roepen, een zwarte en een blanke.” Maar die volwassenwording van Amerika vroeg volgens hem wél om een ingrijpende verandering van het ‘blanke’ wereldbeeld: „Wanneer we blijven volharden in het zelfbeeld van een blanke natie, hoewel we dat nauwelijks zijn, veroordelen we onszelf tot steriliteit en verval. Wanneer we onszelf zouden zien zoals we zijn, dan zouden we de westerse verworvenheden nieuw leven kunnen inblazen en ze een nieuwe vorm geven.”

Obama representeert een geloof in het credo van Amerika en is daarmee de erfgenaam van Baldwin en niet van hen die – mede door de telkens verbroken beloften – hun geloof in Amerika hebben opgezegd. Dat is ook het schisma geweest in de burgerrechtenbeweging: het streven naar integratie van Martin Luther King versus de roep om segregatie van Malcolm X. Obama zei het goed in zijn memorabele toespraak in Philadelphia, toen hij probeerde begrip op te brengen voor de woede van zijn dominee Jeremy Wright, maar zich tegelijkertijd van hem distantieerde: „De wezenlijke fout van de preken van dominee Wright is niet dat hij sprak over het racisme in onze samenleving. De fout was dat hij sprak alsof die samenleving onveranderlijk is, alsof er geen vooruitgang is geboekt. Maar wat we weten – en wat we hebben gezien – is dat Amerika kan veranderen.”

De openingszinnen van de onafhankelijkheidsverklaring – all men are created equal – vormen een uitnodiging om vooroordelen van meerderheid en minderheden kritisch te overdenken en waar mogelijk te overwinnen. Dat is precies wat Baldwin, King en nu Obama hebben gedaan: een samenleving confronteren met haar eigen beginselen, gebaseerd op een fundamenteel vertrouwen in de mogelijkheid van een volwaardig burgerschap, ongeacht herkomst of afkomst. Het is een Amerikaans verhaal dat Obama ons heeft voorgehouden: „Ik heb broers, zusters, nichten, neven, oom en tantes met alle denkbare raciale achtergronden en kleuren, die zijn uitgezwermd over drie werelddelen. En zolang als ik leef, zal ik nooit vergeten dat in geen enkel ander land op aarde mijn geschiedenis mogelijk is.”

Wezenlijk voor de impact van Obama’s veelgeprezen, maar slecht gelezen toespraak in Philadelphia in maart dit jaar was dat hij niet alleen de woorden zocht om de woede in de zwarte gemeenschap van Amerika invoelbaar te maken: „Eenzelfde woede bestaat in delen van de blanke gemeenschap. De meeste blanke Amerikanen uit de arbeidersklasse of uit de middenklasse hebben niet het gevoel dat ze bijzonder zijn bevoordeeld vanwege hun ras. Ze zijn bezorgd over de toekomst en hebben het gevoel dat hun droom hen ontglipt. Hun wrok wordt gaandeweg sterker, wanneer ze horen dat een Afro-Amerikaan wordt voorgetrokken bij een goede baan of een plek krijgt op een goede school – en dat vanwege een onrecht waar ze zelf part noch deel aan hebben – of wanneer ze horen dat hun angst voor misdaad in de stadswijken een bewijs vormt van vooroordelen.”

Dat was meer dan verkiezingsretoriek, want diezelfde toon vinden we terug in zijn eerste boek. Het is een inspiratiebron voor degenen die in ons deel van de wereld nadenken over immigratie en burgerschap, waarbij men de indruk krijgt dat velen verslaafd zijn geraakt aan de cirkelgang van telkens dezelfde argumenten, juist ook de boze critici in hun pamflet over ‘het bange Nederland’. Want concludeerde Obama niet: „Eenvoudigweg hopen dat de wrok van blanke Amerikanen verdwijnt, of die wrok als misplaatst of zelfs als racistisch omschrijven, zonder te erkennen dat die voortkomt uit terechte zorgen, is ook een manier om de raciale kloof te verbreden en een weg naar wederzijds begrip te blokkeren.”

Daar kunnen we in onze contreien wel iets van leren. Het gesprek over de omgang met etnische verschillen dreigt in een impasse te raken omdat voortdurend de wereldburger en de kleinburger tegen elkaar worden uitgespeeld. Terwijl de één hoog opgeeft over een grenzeloze wereld, lijkt de ander weg te kruipen in een benepen idee over ‘eigen volk eerst’. Maar voorbij die tegenstelling gaat het er om of er burgers zijn die een samenleving aan haar eigen beginselen willen herinneren op een moment dat die niet worden nageleefd. Een open samenleving kan niet zonder mensen die op het moment dat de verleiding bestaat om de godsdienstvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in te perken, deze grondrechten willen verdedigen. En dat zijn mensen die zich duurzaam verbonden voelen met de samenleving waar ze deel van uitmaken.

Aan burgers – of ze nu ingezetenen zijn of nieuwkomers – wordt niet gevraagd om zich te verliezen in de samenleving zoals die is, maar vooral om zich te vereenzelvigen met de samenleving zoals die zou kunnen zijn. Is er een gemeenschappelijke aspiratie waar men zich in thuis zou kunnen voelen, is er een gedeeld streven om een samenleving dichterbij zijn norm van gelijke behandeling te brengen? Wederkerigheid betekent: wie de discriminatie van religieuze of etnische minderheden wil weerspreken, moet zich ook teweer stellen tegen vormen van discriminatie door diezelfde minderheden, bijvoorbeeld van ongelovigen of van homoseksuelen. Gelijke behandeling kan niet naar believen worden opgeëist. Die zoektocht voorbij het vooroordeel woelt veel los, en dat is precies wat we zouden moeten willen.

De hoop zou toch moeten zijn dat ook migranten en hun kinderen zichzelf willen zien als vormgevers van deze samenleving of zoals Kader Abdolah ooit kortweg schreef: „Dit land is ook van ons”. Dat is de mogelijkheid die deze verkiezingen nog eens aan ons voorhoudt. Natuurlijk zijn we allemaal verschillend. De kern van een open samenleving is dat we uiteenlopende en vaak genoeg botsende opvattingen, levensstijlen en geloven hebben. Maar de kwestie is: wat hebben we aan gemeenschappelijks nodig om met al die verschillen op een vreedzame en productieve manier samen te leven. Zeg maar de zoektocht naar burgerschap als samenvatting van een verantwoordelijkheid voor de samenleving, een verantwoordelijkheid die we aan niemand kunnen uitbesteden.

De Amerikaanse ervaring is een voortdurende bezinning op wat het is om Amerikaan te zijn. Het zelfbeeld van Amerika is telkens opnieuw uitgevonden en dat is een conflictueuze geschiedenis. Ooit waren katholieke immigranten in het protestantse Amerika niet welkom en het duurde tot 1960 voordat een katholieke president werd gekozen, John F. Kennedy. Ooit waren Aziaten formeel uitgesloten van het staatsburgerschap, omdat ze als een inferieur ras werden gezien. Die Chinese Exclusion Act duurde van 1882 tot 1943. En ooit waren de nakomelingen van de slaven niet eens tweederangs burger, en dat blijft in menig opzicht een onvoltooide emancipatie, ook nu de zoon van een zwarte immigrant president is geworden. De Amerikaanse geschiedenis kan worden gezien als een strijd naar een meer inclusief idee van burgerschap. Juist daarom zou een president niet snel iets zeggen in de trant van: „Ik heb gezocht naar de ‘de’ Amerikaan, maar kon die niet vinden. ‘De’ Amerikaan bestaat niet.”

De verkiezing van Obama brengt Amerika dichterbij zijn eigen beginselen en verandert het beeld van dat land in de wereld dramatisch. Het is werkelijk een historisch moment en een vervulling van de eerder aangehaalde visie van Baldwin: „Wanneer we onszelf zouden zien zoals we zijn, dan zouden we de westerse verworvenheden nieuw leven kunnen inblazen en ze een nieuwe vorm geven.” Deze verkiezingen hebben een verandering in de hele westerse wereld aan de oppervlakte gebracht, die al veel langer gaande is. Om de woorden van Baldwin te lenen: ook wij kunnen „niet volharden in het zelfbeeld van een blanke natie”.

Velen in de Bijlmer lopen met ‘hun’ Obama weg en ontlenen aan zijn verkiezing een gevoel van veiligheid, zoals iemand me zei. Maar opvallend is dat zij in ‘de zwarte man in het Witte Huis’ meer zien dan een genoegdoening en zijn verkiezing vooral vieren als een overwinning van de hokjesgeest, die zwart en wit verdeelt. Zo kan deze nieuwe president het afscheid inluiden van wat Gandhi ooit de ‘vivisectie’ van een natie noemde, de gedachte dat een samenleving niet meer is dan een optelsom van etnische en religieuze groepen. Obama wil duidelijk voorbij het groepsdenken reiken: minder spreken over een verdeelde herkomst en meer over een gedeelde toekomst. Het zou mooi zijn wanneer zijn verkiezing ook in de Bijlmer de ambitie zou versterken om dit land dichter bij zijn ideaal van gelijkwaardigheid te brengen. Inderdaad: ‘dit land is ook van ons’ en dus ‘wij zijn ook van dit land’.

Wat het presidentschap van Obama zal opleveren is ongewis, al was het maar omdat de verwachtingen net zo hoog zijn als de schuldenlast waar Amerika onder gebukt gaat. Maar die memorabele beelden van de verkiezingsnacht met een ontroerde Jesse Jackson en Oprah Winfrey maken wél iets duidelijk: in weerwil van al het oppervlakkige anti-Amerikanisme van de laatste jaren blijft Amerika een land waarin velen met vallen en opstaan proberen het credo van ‘eenheid in verscheidenheid’ te verwerkelijken.

Natuurlijk is het pijnlijk dat vijftig jaar na de formele afschaffing van de segregatie de verkiezing van een zwarte president nog moet worden gevierd als een doorbraak. In het enthousiasme van veel blanke Amerikanen en Europeanen klinkt ook opluchting door: eindelijk een streep onder een schaamtevolle geschiedenis, nooit meer de white man’s burden.

Zo makkelijk laten we het verleden niet achter ons. President Obama is niet het eindpunt, maar wél een mijlpaal in een lange geschiedenis van emancipatie. Wanneer hij in januari 2009 zijn ambtseed aflegt is het precies honderd jaar geleden dat de National Association for the Advancement of Colored People werd opgericht, een beweging waarin zwarten en blanken samenwerkten. Een van de oprichters was W.E.B. DuBois. Zelden is het verlangen deel uit te maken van Amerika met zoveel ingehouden woede en mededogen beschreven als in zijn klassieke boek The souls of black folk (1903), waarin hij de scheidslijn van kleur beschreef: „In weerwil van veel fysiek contact en dagelijkse vermenging, is er tussen deze twee werelden vrijwel geen gedeeld geestelijk leven of uitwisseling waarbij de gedachten en gevoelens van het ene ras in directe aanraking komen met en medeleven oproepen bij het andere ras.”

Zijn beschouwing leest als een lang pleidooi voor een onpartijdige verzoening. Over de positie van zwarte Amerikanen merkte hij op: „Hij wil Amerika niet afrikaniseren, want Amerika heeft te veel te leren aan de wereld en ook aan Afrika. Maar hij gaat als neger ook zijn ziel niet laten verbleken in een vloed van blank amerikanisme (…). Hij wil eenvoudigweg dat het mogelijk is voor een mens om zowel neger als Amerikaan te zijn, zonder te worden vervloekt en uitgekotst door zijn medeburgers.”

Wie die geschiedenis tot zich laat doordringen weet het zeker: afgelopen dinsdag is er echt iets veranderd.