De mannen van 1858

Wat hebben een narrenschoen die als drinkbeker dient, een suikervat in de vorm van een steigerend paard, een lepel met op de steel een afbeelding van Prins Willem III, een geurdoosje in de vorm van een doodshoofd, een zilveren papegaai aan een oranje sjerp, de ring die Oldenbarneveldt op het schavot aan zijn knecht gaf, een aarden lampje gevonden in de Haarlemmermeer, het hoofd van een grenadier der Pruisische garde, gevonden in de gracht van het kasteel te Cuilenburg (van gebakken steen), een notenkraker voorstellende een monnik in zotskap, een ridder in volle wapenrusting te paard, opgegraven te Texel, een schoen van een Noord-Hollandse boer met een gat in de hoge hiel waarin hij dukaten bewaarde, een onderhemd met 32 zilveren knopen uit Ameland, en een martelton voor dronken vrouwen met elkaar te maken?

Dit zijn 13 voorwerpen die 13 mannen geïnspireerd hebben tot het oprichten van het Oudheidkundig Genootschap in 1858.

Niet deze 13 voorwerpen deden het hem. Wat wel het vuur ontstak was een tentoonstelling in april en mei 1858 in het gebouw van Arti et Amicitiae in Amsterdam, met ‘voorwerpen uit vroegeren tijd’, en daarop waren die 13 objecten tentoongesteld, naast een kleine 3.000 andere.

De aanleiding tot de tentoonstelling

was heel eenvoudig: de kunstenaarsvereniging Arti had een weduwen- en wezenfonds en dat moest hoognodig gespekt worden. Vier jaar eerder had men al een kleine tentoonstelling van oudheden gehouden. Het motief was toen dat het voor de eigen kunstenaarsleden zo goed zou zijn om te kijken naar goede voorbeelden van oude kunst, en ook zouden de historieschilders er veel voordeel van hebben als ze huisraad en andere voorwerpen uit het verleden precies konden naschilderen. Maar er bleken veel meer mensen op af te komen dan op een expositie van werk van de eigen leden. Dus dacht het bestuur aan een herhaling, maar dan flink wat groter. De entreegelden zouden binnenstromen en die waren nog steeds broodnodig voor armlastige nazaten. En dat gebeurde dan ook. De mensen liepen te hoop en vergaapten zich aan de voorwerpen uit het verleden. Ze kwamen niet af op één schedel met diamanten , maar op een kleine drieduizend voorwerpen, waaronder inderdaad ook wat gouden en zilveren doodshoofden. Er zijn een paar afbeeldingen van de tentoonstelling bewaard, en het lijkt wel of alles kriskras door elkaar tentoongesteld staat: op de middeleeuwse tafel ligt oud kantwerk, op het kantwerk staan drinkbekers, messenscheden en kandelaars, onder de tafel staan stoven en vuurpotten, aan de muur hangen gildevaandels achter harnassen en maliënkolders. Twaalfde-eeuwse en achttiende-eeuwse relicten staan even vrolijk naast elkaar als aardewerken kommen van eenvoudige boeren en kristallen drinkbekers uit de hoogste families. De spullen waren allemaal in bruikleen bij elkaar gebedeld bij gemeentebesturen, bij koning Willem III en bij verzamelaars.

Ik stel me voor dat op de dag

dat de tentoonstelling afgebroken zou worden, twee mannen bij elkaar zitten in de sociëteitszaal van Arti met een Goudse pijp en een glaasje jenever. Er staan al kisten klaar om de vele voorwerpen terug te sturen naar de eigenaars in het hele land. De beminnelijke Jonkheer Jan Pieter Six heeft de inventaris van zijn halve huis uitgeleend voor de tentoonstelling, maar eigenlijk hoeft er voor hem niet zoveel terug. Behalve zijn munten, die hij hartstochtelijk verzamelt, die wil hij wel weer snel terug in zijn fraaie huis aan de Herengracht hebben. Naast hem zit in de comfortabele leren crapaud David van der Kellen, een begenadigd schilder. Zijn fluwelen jas en gedraaide knevel tonen dat hij een echt werkend lid van Arti is. Hij deelt met Six de belangstelling voor materiële overblijfselen van het verleden. Six en Van der Kellen praten over oude penningen. Dan komt de secretaris van de tentoonstellingscommissie erbij zitten, Leonardus Beels van Heemstede, ook een verzamelaar van oudheden. Bij het tweede glas jenever zijn ze het erover eens: het is doodzonde dat deze prachtige collectie nu uit elkaar valt en er moet hoognodig een museum voor oudheden opgericht worden. Het Rijksmuseum van schilderijen in het Trippenhuis is veel te beperkt. Met voorwerpen kun je de zeden en gewoonten van voorvaderen veel beter leren kennen. Bij het derde glaasje denken ze dat ze dat museum niet met z’n drieën opgericht krijgen. Ze stoppen een nieuwe pijp en besluiten dat ze brieven moeten sturen aan mensen van wie ze verwachten dat die er hetzelfde over denken. De namen liggen voor de hand. Natuurlijk de schrijver Jacob van Lennep. Het is toch al vreemd dat die er vanavond niet is. Hij heeft vast een aanval van jicht.

Naast Van Lennep nog een paar

kunstenaars van Arti met belangstelling voor het verleden, zoals Johan Kaiser, directeur van de graveerschool, en Hendrik ten Kate, die het goed kan vinden met de koning en voorzitter is van de tentoonstellingscommissie. Zeker moet ook de boekhandelaar en uitgever Frederik Muller erbij, die prenten en pamfletten verzamelt. Six stelt ook nog Joseph Alberdingk Thijm, schrijver, fabrikant en uitgever voor. Maar daar vliegt Van der Kellen op uit zijn stoel: ‘Die achterbakse roomse smoeshaan, die met zijn familie bezig is de hele stad met katholieke gebouwen vol te plempen. Over mijn lijk!’ Beels trekt eens aan zijn pijp, en bestelt een portie oesters. ‘Luister, Kel’, begint hij. ‘Je hebt helemaal gelijk dat die papenlikker niet te vertrouwen is. Maar je moet toegeven: hij heeft wel voorkomen dat die gevels aan de Nieuwezijds gesloopt zijn. En hij heeft als eerste geschreven over die middeleeuwse muurschildering in Zwolle waar ze met de witkwast overheen zijn gegaan.’ Six valt hem bij: ‘Hij heeft het woord wandalisme uitgevonden voor de sloop van het verleden, en hij heeft invloed in het hele land. Bovendien is hij dik met de koning.’ Van der Kellen mokt nog wat na, maar moet ten slotte toch toegeven dat er een van ’t houtje in de club komt.

Op 8 juli 1858 kwamen er

dertien mensen samen in het prachtige huis van Jan Six op de Herengracht, dat zelf al een museum van oudheden was. Diezelfde avond werd het Oudheidkundig genootschap opgericht, met als doel het verzamelen en bestuderen van voorwerpen uit het verleden en de oprichting van een museum. Het museum kwam er, maar het heeft maar kort bestaan. Het smolt samen met het Rijksmuseum. Het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap bestaat nog steeds, 150 jaar lang.