Beter met een dobbelsteen

In een van de interviews die Anatoli Karpov tijdens de match tussen Anand en Kramnik in Bonn gaf, was hij in tegenstelling tot de meeste waarnemers erg kritisch over het spel van Anand.

Hij zei dat Anand door het werken met computers zijn creativiteit dreigde te verliezen. Soms leek hij in zijn spel meer op het schaakprogramma Fritz dan op de echte Anand, vond Karpov, en hij vond ook dat Anand tien jaar geleden sterker was dan nu.

Ik begreep dat Karpov een speciale bedoeling moest hebben met zijn harde uitspraak. Tien jaar geleden, wat gebeurde er toen ook al weer? Het was niet moeilijk om te bedenken wat Karpov bedoelde. In 1998 had hij in Lausanne een korte tweekamp om het wereldkampioenschap tegen Anand gewonnen.

Het was eigenlijk een schandelijke vertoning. Anand had drie weken lang een knock-out toernooi in Groningen gespeeld, waarvan de winnaar tegen Karpov mocht spelen. Op 30 december 1997 versloeg Anand Michael Adams in de finale en op 2 januari 1998 speelde hij in Lausanne de eerste partij tegen Karpov, die fris als een hoentje op hem had gewacht.

Na zes partijen stond het 3-3 en toen verloor Anand de beslissende rapidpartijen door uitputting. Tien jaar later wilde Karpov er nog even op wijzen dat de Anand die hij toen verslagen had, sterker was geweest dan de Anand die nu van Kramnik won.

De match van Anand en Kramnik werd in feite beslist in de derde en de vijfde partij waarin Anand met zwart de Meranervariant speelde. Kramnik speelde toen 10. e5, de Blumenfeldvariant, en verloor beide partijen. De andere scherpe mogelijkheid voor wit in die stelling is 10. d5, de Reynoldsvariant.

Als een schaker in de hemel komt, zal hij God eerst vragen wat de beste eerste zet is en vervolgens wat de beste bestrijding van de Meraner is. Moet het volgens Blumenfeld of volgens Reynolds? Al bijna zeventig jaar breekt de schaakwereld zich er het hoofd over.

Vlastimil Hort schreef eens over een Engels toernooi waarin zijn tegenstander, toen die moest kiezen tussen Blumenfeld en Reynolds, een muntje opgooide. Hort was diep geschokt.

Het is natuurlijk een machtig psychologisch wapen om tijdens een partij af en toe een muntje op te gooien of met een dobbelsteen te rollen. Toen ik Horts artikel las, overwoog ik om het zelf ook eens te doen, maar het zou niet fatsoenlijk zijn en ongetwijfeld in strijd met de regels van de FIDE.

Toen de match tussen Anand en Kramnik op zijn eind liep, werd in de Duitse Bundesliga een partij gespeeld die de indruk gaf dat Kramnik ook beter een muntje had kunnen opgooien toen hij tussen Blumenfeld en Reynolds moest kiezen.

Gabriel Sargassian koos de Reynoldsvariant en won met speels gemak tegen een speler die altijd heel goed voorbereid is.

Gabriel Sargissian – Jan Gustafsson, Bundesliga

1. d4 d5 2. c4 c6 3. Pc3 Pf6 4. e3 e6 5. Pf3 Pbd7 6. Ld3 dxc4 7. Lxc4 b5 8. Ld3 Lb7 Zo deed Anand het vroeger ook, maar in de WK-match tegen Kramnik deed hij 8...a6 9. e4 c5. Het kan op het zelfde neer komen, maar het verschil is dat wit na 8...Lb7 meer mogelijkheden heeft om op rustige manier op voordeel te spelen. In de match werd Kramnik door 8...a6 gedwongen scherp te spelen. 9. 0-0 a6 10. e4 c5 11. d5 Dc7 12. dxe6 fxe6 13. Lc2 c4 14. Pg5 De stelling na 14. Pd4 heeft Anand een paar keer met zwart gehad. 14...Pc5 15. Le3 h6 16. Pxe6 Een nieuwe en zeer gevaarlijke zet. Als wits paard zou wijken heeft zwart weinig te vrezen en 16. e5 hxg5 17. Lg6+ Ke7 zou goed voor zwart zijn. 16...Pxe6 17. e5 Dxe5 18. Lg6+ Ke7 19. Te1

Een moeilijke stelling. Voor de hand ligt 19...Td8, maar dan komt het dameoffer 19. Dxd8+ Pxd8 21. Lc5+ Ke6 22. Txe5+ Kxe5 23. Te1+, wat wit na 23...Kf4 24. Le3+ Ke5 25. Lc5+ in ieder geval remise oplevert, maar waarschijnlijk niet meer. Dat was moeilijk te berekenen. Een andere mogelijkheid was 19...b4, maar dat wordt weerlegd door 20. Da4 a5 21. Tad1 met geweldige aanval voor wit. 19...Dd6 20. Ld4 Td8 21. De2 Wit staat een stuk achter, maar zwarts koning staat onprettig in het midden. Hij heeft verschillende verdedigingszetten zoals 21...Lc8 of 21...Kd7 die tot moeilijk te beoordelen stellingen zouden leiden, maar hij doet een zet die snel verliest. 21...Dc6 22. Lxf6+ Kxf6 22...gxf6 23. Le4 was even slecht voor zwart. 23. Le4 Pd4 Er was niets meer. Na bijvoorbeeld 23...Dc7 24. Lxb7 Pf4 25. Df3 staat zwart ook verloren. 24. Dg4 Zwart gaf op.

Hans Ree