'Als het er op aankomt ben ik de sterkste'

Sven Nys behoort al tien jaar tot de beste veldrijders. Een 32-jarige Belg die zijn lichaam en geest tot in het extreme test. „Ik ben gewoon nieuwsgierig.”

Al meer dan tien jaar is hij elke dag, elk uur bezig met zijn sport. Noem het een obsessie, bezetenheid. Noem het wat je wilt, maar voor Sven Nys is het niet meer dan een middel om zijn lichaam én geest te testen. Hij wil tot het uiterste gaan, zijn lichaam én geest leren doorgronden en zich tot in de perfectie voorbereiden op wedstrijden. Hij is nu 32 jaar, heeft alles in zijn sport gewonnen. Maar wat hem betreft is zijn missie nog niet volbracht.

Zie hem daar in de namiddag zitten op de bank in zijn prachtige huis in Belgisch Brabant. Zo kalm, zo vriendelijk en fris. Niet als de ‘kannibaal van Baal’ die alles en iedereen wil opvreten en iedereen wil bevechten. Zijn zoontje van bijna zes dartelt door de kamer. Zijn vrouw staat in de keuken. Volmaakte harmonie. Niets wijst erop dat Sven Nys zich deze dag al volgens schema urenlang heeft afgepeigerd op de fiets, eerst op de weg, in het veld en in het bos, vervolgens thuis op de rollen. De gecomputeriseerde trainingsresultaten heeft hij al naar zijn trainer gemaild. Straks onderwerpen ze die zoals elke avond aan een grondige analyse, en wordt indien nodig de training aangepast.

„Ik ben gewoon nieuwsgierig”, verklaart hij zijn trainingsdrift. „Ik wil als sportman alle facetten onder de knie krijgen. Ik vraag me altijd af hoe ik plezier kan blijven beleven aan mijn sport. Eentonigheid is niks voor mij. Ik gun mezelf geen tijd iets anders te doen. Maar ik smijt nooit met mijn krachten, ben zuinig op mijn lichaam. Alles is verantwoord. Als het te veel is geweest, neem ik rust. Daarom houd ik het nog steeds vol. Al tien jaar ben ik de beste, vier generaties heb ik overleefd. En nog steeds ben ik als het er op aankomt de sterkste.”

Het is weleens anders geweest. Zo’n zeven jaar geleden werden zijn bloedwaarden lager. Er was iets mis, de krachten vloeiden weg. „Het eerste wat ik dacht was: meer trainen, harder trainen, alles anders doen. In die tijd leerde ik mijn huidige trainer Paul van den Bosch kennen. Hij zei: ga het eerst rustiger aandoen, je zit aan je limiet.”

Niet alleen zijn lichaam was aan rust toe. Zijn hoofd was onrustig. Hij mopperde thuis, was chagrijnig, zocht ruzie, voelde zich in wedstrijden belaagd en zag achter elke boom een vijand: iedereen was tegen hem. De harmonie was weg. Geert Leinders, de ploegarts van Rabobank, nodigde hem uit te komen praten, samen met zijn vrouw. „Leinders zei tegen Isabelle: ‘Je gaat niet lang meer bij je man blijven, het gaat verkeerd, zo bezeten is Sven van de sport’. Er moest rust in mijn leven komen, meer afleiding, vrede en liefde.”

Hij begon een boek te schrijven: Ik, Sven Nys. Ploegarts Leinders bracht hem in contact met psycholoog Paul Standaert, die niet alleen veel Belgische sporters als cliënt heeft maar ook renners van de Rabobankploeg. Een paar jaar lang bezocht Nys één keer per week Standaert. „Praten over mezelf, mijn gevoel, mijn vrouw, mijn trainingen, mijn seksleven. Hoe om te gaan met winst en verlies. Hoe ik weer plezier en harmonie in mijn leven zou kunnen krijgen. Of sport wel bij me hoorde. Waarom ik er zo goed in wilde zijn. Dat vind ik normaal. Veel sporters doen het ook, maar willen er niet over vertellen. Omdat mensen kunnen denken dat ze ziek zijn. Veel sporters doen het niet, omdat ze bang zijn. Maar het hoort er bij als je vooruit wilt in het leven.”

In die periode, zes jaar geleden, werd zijn zoontje Thibau geboren. „Ik veranderde. Automatisch was er iets in mijn leven gekomen wat mij weerhield geobsedeerd met mijn sportleven bezig te zijn. Er is een familieband ontstaan, ik speel nu met mijn zoontje. Ik zit niet langer alleen aan mezelf, aan trainingen en wedstrijden te denken. Ik praat meer met Isabelle, over alles, over mijn trainingen, mijn blessures, mijn bezoekjes aan artsen, osteopaten en psychologen. Het is geen lijden meer, het is plezier. In alles wat ik doe.”

De nieuwsgierigheid is gebleven. Daarom besloot hij drie jaar geleden zich ook eens te meten met specialisten van de mountainbike. Iets heel anders, een andere fiets, met meer versnellingen; de wedstrijden duren minimaal een uur langer dan veldritten, vragen een andere stuurmanskunst en klimmerskwaliteiten. Meteen behoorde Sven Nys tot de besten. Hij wilde naar de Spelen in Peking. Als je alles in het veldrijden hebt gewonnen, dan is een olympische medaille aanlokkelijk. Veldrijden is geen olympische discipline, mountainbiken wel.

Met zijn trainer stelde hij een uitgekiend trainingsprogramma samen. In Peking zou het in augustus zeer warm zijn, hoe dan om te gaan met het abnormale vochtverlies dat Nys altijd heeft? In samenwerking met de Universiteit van Leuven werden inspanningstesten uitgevoerd in een klimaatcabine, waarin de temperaturen tot extreme hoogten werden opgevoerd. De omstandigheden die in Peking zouden heersen werden nagebootst: dezelfde temperaturen, dezelfde vochtigheidsgraad. Terwijl Nys drie maanden lang drie keer per week urenlang met een hoge hartslag, gehuld in een ijsvest, op de fiets in de klimaatcabine tekeer ging, werd hem water met verschillende zoutoplossingen aangereikt.

De Belgische televisie volgde Nys tijdens de testen in Leuven. Dat leverde indrukwekkende beelden op van een man die tot het uiterste gaat om zijn doel te bereiken. Nys zweette als een otter, hij verloor twee liter vocht per uur. Rondom dweilde een laborant het transpiratiewater rondom de fiets op. „Ik heb er tegen de dood aangezeten. Dat mijn lichaam zoveel kan incasseren, is een ongelooflijke ervaring. Een keer werd het te veel. Ik stapte na de testen in mijn auto. Maar op de snelweg heb ik mijn auto aan de kant moeten zetten om over te geven. Nou, overgeven, ik stond te kokhalzen en er kwam niets meer uit. Ik was volledig uitgedroogd. Toen ik thuis kwam zei mijn vrouw: ‘Jij gaat niet naar Peking, als het zo gaat, haal je niet eens de finish, je gaat er dood’.”

Het programma met duurtrainingen, kracht-, explosiviteits- en warmtetrainingen en wedstrijden werd aangepast, verlicht, maar de testen bleven. Hij moest en zou naar Peking. Thuis sliep hij tien dagen lang in een zuurstofarme kamer. De machine die langzaam zuurstof weghaalt ging aan in de ouderlijke slaapkamer. Alsof hij iedere nacht op drieduizend meter hoogte sliep. Samen met Isabelle. „Je voelt je na een paar dagen frisser en sterker. Het is heerlijk. Ik doe het drie, vier keer per jaar. Meestal voor het seizoen in september, in de periode rond de Kerst en in het voorjaar. Het is niks bijzonders, we vrijen er ook in bed. Heerlijk. Ik doe het al zes jaar, en het helpt. Vroeger had ik een zuurstoftentje, dat ik overal mee naartoe sleepte. Maar dit is beter. Het werkt hetzelfde als epo, maar is niet verboden.”

Nys eindigde in de olympische mountainbikewedstrijd als negende. Geen medaille, maar hij was tevreden, gezien de omstandigheden – de extreme hitte dus. Met een ijszak in zijn nek begon hij aan de wedstrijd. Het water droop drie ronden lang langs zijn lichaam. Elke ronde kreeg hij een bidon met ijswater aangereikt. Maar aan het einde vloeide toch de kracht uit zijn lijf. De inhaalrace – Nys moest in de achterhoede starten omdat hij in het wereldbekerklassement maar weinig punten had behaald – had te veel van zijn lichaam gevraagd. Spijt heeft hij niet. „Ik heb het graag gedaan, de voorbereidingen, de testen en de wedstrijd. Ik heb veel geleerd en weer veel beleefd. Daar gaat het om.”

Zonder een spoor van trots vertelt hij over zijn met de jaren toegenomen kracht, in zowel het lichaam als in het hoofd. „Ik kan op mijn 32ste meer aan dan vijf jaar geleden. Ik kan beter lijden. Dat heb ik voor op mijn jonge concurrenten in het veldrijden. Ik hoef ook niet te forceren. Ik heb alles al bereikt, als ik niet win is het niet erg meer. Toch blijf ik aan mezelf sleutelen. Als ik ben gevallen, zit ik de volgende dag bij de osteopaat om te onderzoeken of er niks scheefstaat. Vroeger reden renners door met pijn. Dat stond sterk. Maar als je dat te veel doet, ben je gauw versleten. Ik laat me testen, ik analyseer beelden van me, hoe ik op de fiets zit, hoe ik soepeler kan rijden, de bochten beter kan nemen, hoe ik pijn kan vermijden. Dat is toch normaal voor een topsporter.”

Afgelopen zomer verliet hij na tien jaar de ploeg van Rabobank om voor de Belgische ploeg van Landbouwkrediet te gaan rijden. Hij kon er meer verdienen. Rabobank wilde hem niet tegenhouden, de ploeg heeft in de 22-jarige Nederlander Lars Boom een nieuw groot talent. Niet dat geld de belangrijkste reden voor hem was, beweert Nys. „Gewoon weer een nieuwe uitdaging.”

Bij zijn nieuwe ploeg heeft hij een contract voor drie jaar. Komt dan het einde van een lange, succesvolle carrière? En wat dan? Nys haalt zijn schouders op. „Ik ben nooit bang voor het nieuwe geweest. Ik vind mijn weg wel. Mijn naam is in België gevestigd. Veldrijden is erg populair. Elke belangrijke wedstrijd is rechtstreeks op televisie. Laatst was de Koppenbergkoers: 800.000 mensen keken er naar. Veldrijden staat dichter bij het volk dan welke sport ook, ook meer dan het wielrennen op de weg. De toeschouwers kunnen je nog aanraken. De sport is hard en zwaar. Zwetende, ploeterende en bemodderde mensen, waar vind je dat nog? Het is van de mooiste kijksporten.”

Als Nys niet meer fietst, komt er vast wat anders in zijn leven. „Ik heb veel geld verdiend, ik word in België overal voor gevraagd. Ik heb een eigen kledinglijn. Ik word begeleid door een sportmanagementbureau. Mijn wereld loopt geen gevaar. Ik denk er veel over na en ik praat er over. Het heeft me verbaasd dat Michael Boogerd de weg kwijt is geraakt na zijn carrière. Heeft hij er dan nooit over nagedacht? Rabo is daar niet verantwoordelijk voor. Ze hebben er bij mij altijd voor open gestaan. Maar je moet het zelf organiseren.”

Maar die aandacht en uitdagingen die wegvallen, het volle dagprogramma dat leeg wordt? „Misschien wordt het wel rustiger, anoniemer, mijn lichaam zal protesteren. Ik zal er mee kunnen omgaan. Ik heb genoeg mensen om me heen met wie ik verder in het leven kan en wil. Ik denk over alles na, dus ook daarover. Dat is mijn aard. Ik wil plezier, maar ook controle.”