Achterzijde maan korter vulkanisch actief dan voorzijde

De vulkanische activiteit op de achterzijde van de maan heeft korter geduurd dan op de voorzijde. Dat hebben Japanse onderzoekers afgeleid uit de opnamen die hun maansatelliet Kaguya (voorheen Selene) sinds december 2007 naar de aarde heeft gezonden (Science Express, 6 november). De achterzijde van de maan is het halfrond dat onze satelliet tijdens haar omloop rond de aarde altijd van ons af keert. Dat komt doordat de rotatietijd van de maan al snel na haar ontstaan als gevolg van de aantrekkingskracht van (en kortere afstand tot) de aarde gelijk werd aan haar omlooptijd.

De Japanners hebben de duur van de vroegere vulkanische activiteit, die ongeveer 3,5 miljard jaar geleden begon, afgeleid uit de ouderdom van vloedbasalten, gesteenten die ontstonden tijdens het uitvloeien van lava uit het toen nog hete inwendige van de maan. Op de voorzijde van de maan zijn deze gesteenten met het blote oog te zien als de grote, donkere vlekken die ‘zeeën’ (maria) worden genoemd. De aantallen inslagkraters op deze vlakten zijn een maat voor hun ouderdom: hoe groter het aantal inslagkraters, des te ouder de basaltvlakte.

Kaguya heeft van de meeste gebieden op de achterzijde van de maan haarscherpe opnamen gemaakt, waaronder van basaltafzettingen die nog niet eerder waren gedateerd. Met behulp van de hierin gemeten kraterdichtheid hebben Junichi Haruyama en zijn collega’s afgeleid dat de vulkanische activiteit op de achterzijde van de maan 3 miljard jaar geleden sterk terugliep, in overeenstemming met wat op de voorzijde is gevonden. Op de achterzijde zijn de jongste vulkanische gesteenten echter 2,5 miljard jaar oud, terwijl op de voorzijde basalten zijn gevonden die ‘slechts’ 1,2 miljard jaar oud zijn.

Dit alles betekent volgens de onderzoekers dat de vulkanische activiteit op de achterzijde van de maan eerder is gestopt dan op de voorzijde. Dat kan samenhangen met het feit dat de korst aan de achterzijde wat dikker is, waardoor magma moeilijker buiten kon. Een andere mogelijkheid is dat het inwendige aan de achterzijde minder warmte-producerende elementen bevatte. Waarschijnlijk zijn beide mogelijkheden terug te voeren op het feit dat onze maan direct na haar ontstaan één zijde definitief van ons af heeft gewend.

George Beekman