Wyoming is woest

Annie Proulx: Fine Just the Way It Is. Wyoming Stories 3. Scribner, 221 blz. € 23,–. Vertaald door Regina Willemse als Goed zoals het is. De Geus, 253 blz. € 19,90

Al vroeg in deze bundel meent de lezer de verwijzing naar de titel, Fine Just the Way It Is, te hebben gevonden. Dat is in een van de beide sarcastisch-grappig getoonzette verhalen die gesitueerd zijn in de hel, wanneer de duivel tevreden deze woorden uit tegen Charon, de veerman die de pas gestorvenen overzet naar hun uiteindelijke locatie.

Maar voor wie denkt alleen daarmee naar een diepere betekenis te kunnen graven, heeft Annie Proulx verderop een verrassing in petto. Want dezelfde woorden worden uitgesproken door een ‘gerespecteerde oudere rancher’ in Wyoming tegen een jonge ambitieuze politicus die allerhande moderne plannen heeft met de staat. Dat heeft Wyoming helemaal niet nodig: Wyoming is fine just the way it is.

Annie Proulx is een veel te slimme auteur om deze herhaling aan toeval toe te kunnen schrijven. En de implicatie is duidelijk: Wyoming en de hel, ze verschillen niet zoveel van elkaar. Dat is overigens ook de indruk die de lezer aan deze en Proulxs beide vorige bundels met verhalen over Wyoming zal overhouden: het is een grimmig, vaak uitzichtloos bestaan daar, met armoede, dood, schraalheid en harteloosheid als constanten. En voeg daar ook vijandigheid en achterdocht aan toe, lijkt ze op menige plaats te willen zeggen.

Annie Proulx heeft een literaire reputatie gebouwd op het vinden van verhalen in dit soort uithoeken van de VS. In Newfoundland voor The Shipping News, in Texas voor Ace in the Hole, en op diverse plekken voor Accordion Crimes. Wyoming, waar ze in 1994 naar toe verhuisde, heeft haar drie verhalenbundels opgeleverd: Close Range (met het verfilmde ‘Brokeback Mountain’) en Bad Dirt waren de beide vorige.

Te zeggen dat Proulx het Wilde Westen wil ontmythologiseren in de zin waarin Larry McMurtry dat doet, zou een understatement zijn. Haar Wyoming is een gebied van olieraffinaderijen, vervuilde rivieren, amfetamine-verslaving en vuilstortplaatsen, maar vooral, zoals ook dit derde deel weer laat zien, een staat die wordt bevolkt door falende mensen met kapotgeslagen dromen. A hard country with hard people, zoals een van de personages oordeelt. Rampspoed, wreedheid, een verraderlijk landschap, eenzaamheid: je zou denken dat de kansen om hier iets beters te bereiken dan Proulxs karakters zo ongeveer nihil zijn; zo groot dus als de kansen van Caitlin, in het verhaal ‘Testimony of the Donkey’ om in haar eentje de tocht langs een gevaarlijke bergwand te overleven.

In het beste verhaal in deze bundel, ‘The Great Divide’, hanteert Proulx een langetermijn-perspectief om ons het trieste bestaan te schetsen van het echtpaar Hi en Helen, twee van de velen die voor de Depressie in Wyoming het geluk zochten. Bij Hi staat het woord Pech over zijn hele voorhoofd geschreven. Hij mislukt als boer, mislukt als whisky-distilleerder, krijgt een baantje bij iemand die wilde paarden vangt en verkoopt als veevoer. Maar de bijna onbeschrijflijke wreedheid waarmee de dieren worden behandeld is voor Hi te veel. Hij gaat werken in een kolenmijn, tot hij ook de ondergrondse benauwdheid niet meer aan kan. Hij keert terug naar het paardenvangen, maar overleeft zijn eerste dag en zijn eerste paard niet.

Dat het allemaal nog veel vreselijker kan, laat Proulx zien in het slotverhaal, ‘Tits-Up in a Ditch’. Hier draait het om het meisje Dakotah Lister, dat door haar kille grootouders wordt opgevoed na door haar ‘wilde’ moeder te zijn verlaten. Grootvader Verl is, zoals zoveel andere mannen in deze streek, een ex-rodeorijder die aan die bezigheid een gebroken bekken en gebroken benen heeft overgehouden, zodat hij nu loopt met de ‘slinking crouch’ van een doedelzakspeler. Grootmoeder Bonita haat Verl en loopt rond met plannen om hem te vergiftigen.

Ook voor de weinig snuggere Dakotah mislukt alles in het leven waarop ze, achtereenvolgens, de drie keuzes maakt die zoveel desperate kinderen van haar slag in Amerika maken. Ze loopt weg van school en neemt een baantje als serveerster. Dan trouwt ze met de eerste de beste jongen. En als die haar in de steek laat na haar zwangerschap, doet ze het enige waar nog geld mee te verdienen is: dienst nemen in Eye-Rack (Iraq). We zijn dan twee doden en een levenslange verminking van het einde van het verhaal verwijderd. ‘Elke ranch’, mijmert Dakotah als ze na terugkeer door Wyoming rijdt, ‘heeft een jongen verloren, gezonde, glimlachende jongens [...] uit de stroom van het leven geslagen door sterke drank en versnelling, rodeo smash-ups, slechte paarden, diepe greppels en hoge spoorwegbruggen, omgevallen tractors en ‘ongeladen’ geweren.’ Het is een verhaal met zoveel schijnbaar onontkoombare rampspoed dat je er mismoedig van zou worden.

Toch lees je het tamelijk onaangedaan. Hoe dat komt? Het lijkt wel alsof Proulx zich bewust inhoudt om enige empathie met Dakotah of de anderen te tonen. Net zoals in Accordion Crimes laat Proulx haar personages tamelijk onaangedaan serieel doodgaan; ze beschrijft het allemaal in een wat vlakke stijl die bijna suggereert dat de meedogenloosheid van de omgeving vat op haar heeft gekregen.

De beide vorige bundels waren net als deze wat ongelijk van kaliber, maar als ik me niet vergis is deze derde bundel niet alleen wat grauwer van toon, maar kent hij ook wat minder hoogtepunten. Wat ook de reden voor haar verhuizing naar deze uithoek moge zijn, het ziet er naar uit dat Annie Proulx zo langzamerhand in literair opzicht de regio wel heeft afgegraasd. Als het moment gekomen is om de staat met de hel gelijk te stellen, is het misschien tijd om te vertrekken. Naar Alaska, misschien?