Vloekend, tierend en gloeiend

Liefst zien we een dirigent als pure muziek, als een wat wereldvreemde figuur die uitsluitend voor de kunst leeft. Neus in de partituur, hoofd in de wolken. Maar dirigenten aan de top zijn zonder uitzondering bedreven in het spel om de macht. Anders hadden ze de top niet bereikt. Dat geldt zelfs voor een dirigent die het geïdealiseerde beeld van een boven de wereld zwevende kunstenaar dicht benadert, zoals Wilhelm Furtwängler.

Furtwängler is hier vorige week bestempeld als de grootste dirigent van zijn generatie, maar de invloedrijkste is hij niet. Dat is Arturo Toscanini (1867-1957). Toscanini is bij uitstek de dirigent als muzikale alleenheerser. Muziek staat bij hem in het teken van macht en kracht.

Toscanini en Furtwängler waren in hun eigen tijd rivalen voor de benaming ‘grootste levende dirigent’. Nog steeds gelden ze als tegenpolen en als symbolen van tegengestelde muziekopvattingen. De dirigentengeneratie na hen had als ideaal vaak een synthese voor ogen van het beste van Furtwängler (expressie en diepte) met het beste van Toscanini (precisie en gedrevenheid). Maar zo’n versmelting heeft geen kans van slagen; de stijlen sluiten elkaar uit.

Veel van wat nu vanzelf spreekt, valt te herleiden tot Toscanini: het idee dat de Italiaanse opera van Verdi en Puccini even waardevol is en net zo’n gewetensvolle benadering vereist als de eerbiedwaardige symfonie; scepsis bij het idee van ‘interpretatie’ en een navenante nadruk op de correcte weergave van de partituur; korte metten met het idee dat alleen een Fransman Debussy, een Duitser Wagner en een Italiaan Verdi kan dirigeren; even korte metten met de traditie en filosofische ballast van de negentiende eeuw en in plaats daarvan nadruk op technische perfectie en detaillering; en niet te vergeten ongekende naam en faam dankzij een eindeloze stroom van plaatopnamen en (nog primitieve) televisieregistraties. Allemaal ontwikkelingen die bij Toscanini beginnen.

Hij was een ouderwetse dictator, in staat om een solist die een fout had gemaakt tijdens een repetitie op te laten staan, te vragen wanneer hij geboren was, om hem daarna ten overstaan van zijn collega’s toe te schreeuwen: „Dat was een zwarte dag voor de muziek!” Toscanini was een prominent en principieel antifascist, wat nogal in contrast staat met zijn intolerante fanatisme in zijn eigen domein. Hij permitteerde zich de kuren van een diva assoluta. Zijn fenomenale buien konden zijn omgeving gek maken van de spanning.

Die hoogspanning droeg hij over op het orkest. Gevoelige oren horen angst meeklinken in zijn uitvoeringen – angst van het orkest voor de furie van de maestro, maar ook angst van de grote man zelf, dat het toch ondanks zijn enorme inspanning toch nog ergens mis zal gaan. Op foto’s is te zien dat zijn blik die van een ongenaakbaar heerser is én van een bang hert dat in de koplampen kijkt.

Zijn invloed is breed en diep, zodanig dat we Toscanini zelf al bijna zijn vergeten. Zijn reputatie is verschrompeld tot een naam. Zijn revolutie is inmiddels routine, zijn perfectionisme bijna alledaags.

Andere dirigenten hadden ‘hun’ Beethoven of ‘hun’ Brahms, bij hem kwamen de componisten zelf aan het woord. Zo zag hij het zelf – zowel nederig als overtuigd van zichzelf, tegelijk een ster en een anti-ster. Maar zijn uitvoeringen behouden – gelukkig – een hoogst persoonlijke signatuur. „I am the emergency”, zei Philip Roth ooit over zichzelf. Ook Toscanini was de vleesgeworden noodtoestand.

Bekijk en beluister Toscanini op nrc.nl/dirigentenparadijs