Vele kale berichten uit heilloze, 20ste-eeuwse jaren

Nicholson Baker: Human Smoke. The Beginnings of World War II, the End of Civilization. Simon & Schuster, 567 blz. € 35,–

Er is geen inhoudsopgave, geen voorwoord en geen inleiding. Het boek begint (na de titelpagina) ook metterdaad op bladzijde 1. En het eerste wat we lezen is een paragraaf van nog geen tien regels over dynamietkoning Alfred Nobel die in 1892 tegen pacifiste Bertha Suttner (Die Waffen nieder!) moet hebben gezegd: ‘Het zou wel eens kunnen zijn dat mijn fabrieken sneller een eind maken aan de oorlog dan uw congressen. Op de dag dat twee legers elkaar in een seconde hebben vernietigd, zullen alle beschaafde volkeren, vervuld van afgrijzen, hun krijgsmacht waarschijnlijk ontbinden’.

Na vier witregels volgt op dezelfde pagina nóg een citaat: voorjaar 1914. De Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig ziet in een filmtheatertje in Tours een stukje Journaal met de Duitse keizer, en schrikt van de agressiviteit waarmee de toeschouwers onmiddellijk naar het witte doek beginnen te joelen en te fluiten – later gememoreerd in Die Welt von gestern.

Je mag zeggen dat de schrijver van Human smoke met de deur in huis is gevallen. De twee anekdotes waarmee hij z’n boek begint zijn ook geen motto’s – het zijn de eerste twee van meer dan twaalfhonderd korte fragmenten uit krantenartikelen, dagboeken, radiotoespraken, diplomatieke telegrammen en persoonlijke brieven, die samen het beeld van de eerste veertig jaren van de oorlogszuchtige 20ste eeuw moeten oproepen. Alle ‘lemma’s’ zijn ook consequent tot op de dag nauwkeurig gedateerd.

Met de deur in huis gevallen. Maar welk huis precies? De voorspelling van Nobel en de schrik van Zweig geven een aardige indicatie. Maar de ondertitel van het boek liet al nauwelijks ruimte voor misverstanden: met ‘the Beginnings of World War II, the End of Civilization’ wil verteld wezen dat de mensheid vanaf het begin van de vorige eeuw stap voor stap (dag voor dag, jaar na jaar) haar ondergang een heel eind tegemoet is gewandeld. De titel van het boek is ontleend aan een verhoor van de Duitse generaal Franz Halder, die in de laatste maanden van de oorlog (na de aanslag op Hitler) gevangen zat in Auschwitz, en in zijn cel soms rook zag kringelen. ‘Mensenrook’, had hij gezegd.

De vorm waarin Nicholson Baker zijn sombere boodschap heeft verpakt is niet nieuw (er zijn talrijke journalistieke compilaties van dagbladknipsels gemaakt over uiteenlopende onderwerpen als de koude winter van 1978, een langdurige kredietcrisis of de teloorgang van Feyenoord) – maar hij is bij mijn weten niet eerder gebruikt voor een ingrijpende episode uit de geschiedenis als die van de politieke, militaire en maatschappelijke overgang van de Eerste naar de Tweede Wereldoorlog.

Baker (die in de roman Vox het onderwerp telefoonseks uitwerkte in één onafgebroken dialoog) heeft uit een oeverloze hoeveelheid bronnen streng moeten selecteren. Niet alle dagen, zelfs niet alle jaren tussen 1914 en 1941 (hij eindigt z’n boek drie weken na Pearl Harbor), dat was één begrenzing. Geen feitelijke volledigheid, dat was een tweede. Maar de belangrijkste afbakening van het materiaal vond hij door zich te concentreren op de thema’s die hem het meest bezighielden: de menselijke zelfdestructie, de Holocaust en het anti-oorlogssentiment dat na Bertha Suttner steeds meer zou worden veroordeeld als een laf ‘appeasement’-gevoel.

Tussen begin en eind ontwikkelen zich de dagdromen en nachtmerries van de vaakst geciteerde Amerikaanse, Britse en Duitse hoofdrolspelers, maar ook die van de frequent voorkomende Britse schrijvers Christopher Isherwood en Harold Nicolson, en van de Duitse bioloog en dagboekschrijver Viktor Klemperer die als jood de oorlogsjaren in Dresden overleefde.

Heilloze jaren, die zichzelf vertellen (nergens komt Baker met eigen interpretaties aanzetten)– en die kunnen zelden vrolijk stemmen. Maar de kale weergave van wreedheid, wanhoop, galgenhumor en cynisme levert tegelijkertijd een grimmig soort fascinatie op.