Vandaag wijsheid, morgen onzin

In een boek dat op geen beter moment had kunnen komen, projecteert de Britse historicus Niall Ferguson historische lessen op de huidige beursstorm. ‘Went geld te snel?’

Niall Ferguson: The Ascent of Money. Penguin, 464 blz. € 37,– Een Nederlandse vertaling verschijnt eind deze maand bij Contact als Het succes van geld.

Een aantal jaren achter elkaar bleef de obligatiemarkt rustig en stabiel. Dankzij financiële vernieuwingen konden banken hun balans oprekken: meer geleend geld en minder reserves. De onderlinge afhankelijkheid van banken en landen was een geruststellende gedachte – protectionisme werd dermate schadelijk geacht voor het eigenbelang van elk land, dat het op de mestvaalt van de geschiedenis kon worden gelegd. Er was voldoende geld in de markt voor handel en industrie. Optimisme alom.

Dit had een analyse van de laatste jaren kunnen zijn, maar dat is het niet. Het is een beschrijving van de laatste maanden voor het uitbreken van de grootste zelfverwonding van de vorige eeuw, de Eerste Wereldoorlog.

Optimisme is een raar iets. Op 28 juni 1914 werd aartshertog Frans Ferdinand in Sarajevo vermoord, wat de kettingreactie ontketende die tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op 1 augustus zou leiden. Maar wat bleek? Drie weken lang reageerden de beurzen in de wereld helemaal niet op die aanslag. Pas in de laatste week van juli begon het en toen ook snel. Op 30 juli had de paniek de zaken overgenomen: lange rijen, liquiditeitsproblemen, faillissementen, een loepzuivere credit crunch. De beurzen in de wereld gingen maandenlang dicht, overheden namen garanties over, belangrijke banken werden uitgekocht en zo kwam het eerste grote tijdperk van globalisering ten einde.

Waarom zagen de mensen de grote ramp niet aankomen? ‘Een mogelijk antwoord zou kunnen zijn dat hun zicht was vertroebeld door een combinatie van verstrijkende tijd en een royale beschikbaarheid van liquide middelen’. Oftewel: geld went snel.

De gebeurtenissen en dit citaat staan in een boek dat net is verschenen en op geen beter moment had kunnen komen: The Ascent of Money. De auteur is een Schot die aan Harvard doceert en als financieel en economisch historicus en verteller al enige tijd furore maakt: Niall Ferguson. Hij schreef eerder bestsellers als Empire over de opkomst en ondergang van Groot-Brittannië als wereldmacht en Cash Nexus over de rol van het geld sedert de Industriële revolutie. Ferguson is 44 jaar en het type historicus dat op multimediale wijze inzicht en amusement naar een breder publiek weet te brengen. In het voetspoor van mensen als Simon Schama doet hij onderzoek, schrijft en wandelt door de wereld met de camera’s van Channel Four. The Ascent of Money loopt ook als televisieserie.

Ferguson is een geweldige verteller. De meest uiteenlopende episodes van de laatste duizend jaar brengt hij onder in een relaas over de wisselwerking tussen financiële ontwikkelingen en uitvindingen enerzijds, en maatschappelijke trends anderzijds. Zo zoekt hij naar een verklaring waarom de stap van gangbaar schuldpapier naar het aandeel uitgerekend begin 17de eeuw in Amsterdam plaatsheeft en de VOC de eerste moderne nv wordt. Het blijkt een combinatie van risicomanagement, afwezigheid van dominante aristocratie en aanwezigheid van een groot aantal regenten, bestuurders, kooplieden en steden in het toenmalige gewest Holland. Gepland was het allemaal niet, ‘maar zodra bankiers een VOC-aandeel begonnen te aanvaarden als onderpand voor een lening, kwam er een band tussen de aandelenbeurs en de kredietvoorziening. De volgende stap was dat banken geld uitleenden om aandelen tegen krediet te kunnen kopen. Bedrijf, beurs en bank zorgden voor een driehoekige fundering van een nieuw soort economie’. Zoiets kon alleen in een omgeving met vele, kapitaalkrachtige en betrouwbare spelers – niet in een stad zonder haven, ook niet waar een enkele familie aan alle touwtjes trok.

Ferguson wandelt probleemloos door tijd en ruimte. Van de Medici in het Florence van de vroege Renaissance naar Memphis, Tennessee, anno 2007 is een kleine stap. Memphis heeft het Amerikaanse record van faillissementen. Daarover bestaan veel misverstanden. Wie in Europa naar peptalkseminars van ondernemers gaat, of ging, krijgt de laatste decennia steevast te horen dat Amerika het land is van de ondernemers, liever gezegd, van de entrepreneurs – een term die staat voor moed, doorzettingsvermogen en eigenzinnigheid. In dat klimaat gold een faillissement niet als een schandvlek, maar als een waardevolle les voor een zakenman op de weg naar de top. In Europa, daarentegen, was het huilen-met-de-pet-op: risico mijdende managers, een weinig stimulerende staat en een cultuur waarin het een schande was om failliet te gaan. Zo bezien gaat het goed in Memphis, want het is de hele dag een drukte van jewelste voor de faillissementsrechter in het centrum van de stad, en zo op het eerste oog regent het geboortes van nieuwe, grote entrepreneurs. Op het tweede gezicht blijkt echter dat 98 procent van de zaken niets met ondernemerschap te maken heeft. Het zijn gewoon mensen die onder een schuldenberg zijn bezweken. Die niet weten dat rood-staan leidt tot rente-op-rente, die denken dat een creditcard gratis is. Schrale troost: het is geen schande.

Een strikt historicus zou zijn handen aan de huidige crisis nog niet hebben gebrand, en dat terrein veilig aan intellectuele speculanten, journalisten en economen hebben overgelaten. Maar Ferguson is daar een veel te speelse geest voor. En dus projecteert hij wat historische lessen op de huidige beursstorm. Een suggestie: banken moeten eigenlijk niet zo groot worden, want dan worden ze in noodgevallen gered. In Japan is op deze manier de hele financiële sector bijna twintig jaar een soort ‘dode hand’ geweest, die de verlamming van Japan heeft verergerd. Een andere suggestie: ‘Elke schok in het financiële systeem moet leiden tot slachtoffers [...] en de mogelijkheid tot vernietiging kan en mag niet worden geëlimineerd door uitzonderlijk behoedzame regels van toezicht’, zo waarschuwt de auteur alvast de bezige bestuurlijke plannenmakers van dit moment. Om er vervolgens enigszins berustend aan toe te voegen dat financiële markten, anders dan de huidige Duitse president beweert, geen monsters zijn. Evenmin trouwens als de mensen die er werken: ‘Financiële markten zijn als spiegels van de mensheid en ze laten ons elk uur van de dag zien hoe we onszelf en de hulpbronnen van de wereld om ons heen waarderen. Het is niet de schuld van de spiegel dat die onze tekortkomingen even goed weerkaatst als onze schoonheid.’

Ascent of Money heeft een paar zwakke kanten. Her en der is Ferguson te springerig. Misschien komt het omdat hij soms put uit eerder werk, zoals het spannende verhaal van de eerste Rothschild en zijn bijna-fatale misrekening bij de slag van Waterloo. Of dat van de eerste pensioenverzekering in Schotland naar voorbeeld van het zo succesrijke moderne pensioenstelsel van Chili. Misschien komt het ook omdat het een multimediaproductie is, die nu eenmaal scènes vergt, en decors, zodat een analyse van de Amsterdamse beurs in 1608 ook noopt tot een wandeling naar het VOC-schip de Batavia in Lelystad.

Wat ook blijft hangen, is de vraag waarom uitgerekend in de financiële sector het geheugen van mensen zo kort lijkt, waarom optimisme en pessimisme telkens weer op bijna dezelfde manier de mens van passende oogkleppen voorzien, waarom de wijsheid van vandaag met zoveel gemak de onzin van morgen is, waarom analyse en humeur juist in deze hoek van de samenleving zo gemakkelijk mengen. Waarom een derivatenomvang van drie keer het mondiale nationale product in 2006 een bewijs van innovatie heet en in 2008 een bewijs van ontoereikend toezicht en financiële absurditeit. Went geld te snel?

Aan de Amsterdamse beurs is, zoals bekend een einde gemaakt aan naked short selling, de methode waarbij je aandelen die je nog helemaal niet in je bezit hebt, tegen een lagere prijs belooft te verkopen. Naked short selling jaagt de prijs van een aandeel te hard omlaag, aldus de critici. De staat grijpt in, de short sellers zijn ineens de klos. Wat een verrassing. Of toch niet?

De eerste keer dat zich grosso modo dit scenario ontrolde, was amper een half decennium na oprichting van ’s werelds eerste aandelenbeurs. De klos was een short seller met de naam Isaäc le Maire en het gebeurde in 1611.