Tommy, Poilu en Frontschwein

In de geschiedschrijving van WO I zijn de generaals uit de schijnwerpers gedrongen door Jan Soldaat. Wie zaten er achter de ‘slagersrekening’ van de veldslag?

Henry Allingham en Dennis Goodwin: Kitchener’s Last Volunteer. The Life of Henry Allingham, the Oldest Surviving Veteran of the Great War. Mainstream Publishing, 240 blz. € 26,10

Patrick van Emden: The Soldiers’ War. The Great War through Veterans’ Eyes. Bloomsbury, 394 blz. € 28,80

Richard Holmes: Shots from the Front. The British Soldier 1914-1918. Harper Press, 240 blz. € 28,80

Thomas Livingstone: Tommy’s War. A First World War Diary. Harper Press, 382 blz. € 28,80

Het is november, de klaprozen staan weer in bloei. In Groot-Brittannië prijkt de rode bloem sinds enkele weken op het revers van elke publieke persoonlijkheid: van politicus tot voetbaltrainer.

De opgeprikte plastic poppy refereert aan de openingstrofe van het gedicht ‘In Flanders Fields’ van John McCrea. Een haastig opgezette begraafplaats overziend, schreef deze Canadese legerarts in december 1915: ‘In Flanders fields the poppies blow / Between the crosses, row on row’.

Hoogtepunt van het jaarlijkse rouwritueel van de Britten is het defilé van veteranen op 11 november, de dag dat in 1918 de Eerste Wereldoorlog eindigde. De mannen en vrouwen trekken onder luid applaus langs de Cenotaph, het monument voor de gevallenen op Whitehall in Londen. Als zijn gezondheid het toelaat, zal de 112-jarige Henry Allingham hier aanstaande dinsdag het Onze Vader uitspreken, zoals hij dat ook in voorgaande jaren deed.

Allingham is één van de drie nog in leven zijnde militairen, overigens allen Britten, die actief aan de gevechtshandelingen van de Eerste Wereldoorlog hebben deelgenomen. Hoewel hij nagenoeg doof en blind is, heeft Allingham onlangs kans gezien zijn memoires te dicteren. Zijn boek, Kitchener’s Last Volunteer, is er één in een golf van boeken die verschijnt bij gelegenheid van de aanstaande negentigste verjaardag van het einde van de oorlog.

In al deze boeken gaat het niet over politici, maarschalken en grote veldslagen, maar bijna uitsluitend over gewone soldaten, modderige schoenen, eindeloze regenval en koud eten. In het nieuwe boek van Richard Holmes, hoogleraar militaire geschiedenis en maker van talloze BBC-documentaires, komt slechts één generaal voor. Dat is omdat hij zijn mannen zo dapper voorging in de strijd, verzekert Holmes de lezer. Anders was hij er écht niet in gekomen.

Het is het logische einde van een ontwikkeling in de geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog die nu zo’n dertig jaar aan de gang is. De generaals zijn uit de schijnwerpers gedrongen door Jan Soldaat.

Net zoals de vorig jaar uitgebrachte autobiografie van de ‘slechts’ 110 jaar oude Harry Patch, The Last Fighting Tommy, bieden de geboekstaafde herinneringen van Allingham een blik op een wereld die in alles mijlenver van de onze afligt. Toen hij geboren werd, zat koningin Victoria nog op de troon. Ze was koningin van Groot-Brittannië, keizerin van India en heerste over een rijk waar de zon nooit onderging.

Allingham bekwaamde zich tijdens zijn schooltijd in vakken die hem de kans gaven een baan te vinden in de opkomende auto-industrie. Toen in 1914 de oorlog uitbrak, meldde hij zich bij het leger. Ondanks dat hij een eigen motor inbracht, hoorde hij maandenlang niets. Het enthousiasme voor de oorlog was zo groot, dat het administratief apparaat de aanmeldingen niet kon verwerken. Miljoenen mannen hadden gehoor gegeven aan de oproep van minister van Defensie Lord Horatio Kitchener om vrijwillig tot het leger toe te treden.

In 1915 meldde Allingham zich opnieuw, niet bij het leger maar bij de Royal Naval Air Service (RNAS), de gloednieuwe luchttak van de Britse marine. Zijn ervaring als werktuigkundige kwam hem bij de keuring goed van pas. Hij werd aangenomen om aan de vederlichte dubbeldekkers te sleutelen.

Daar bleef het niet bij. Al snel moest Allingham achterin de tweezitstoestellen plaats nemen en dienst doen als observator. Eind mei 1916 werden hij en zijn piloot met hun watervliegtuig aan boord geladen van de Kingfisher, een schip dat vervolgens richting de Britse Grand Fleet koerste. Deze vloot kruiste ter hoogte van het Deense schiereiland Jutland, op zoek

Vervolg op pagina 2

Tommy en Frontschwein in de schijnwerpers

Vervolg van pagina 1

naar de Duitse Hochseeflotte. Het was de bedoeling dat het RNAS-toestel verkenningsvluchten zou gaan uitvoeren, op zoek naar de tegenstander. Dat bleek onnodig, want op 31 mei stuitten de twee smaldelen vanzelf op elkaar. De enige grote zeeslag van de Eerste Wereldoorlog barstte los.

Allingham herinnert zich: ‘Op 1 juli kwam de Kingfisher onder vuur. Ik was op het dek toen er een flits was en het geluid van de donder toen een Duits oorlogsschip zijn granaten afschoot. Ik stond genageld aan het dek, geschokt omdat het allemaal zo plotseling was. Opeens zag ik een granaat die recht op me af leek te komen. Gelukkig ging hij over de Kingfisher heen en verdween in de diepten van de zee.’ Allingham overleefde de tweedaagse slag, die voor de Britten uitliep op een strategische overwinning, hoewel ze zwaardere verliezen hadden geleden dan de Duitsers.

Na zijn verblijf op zee werd Allingham overgeplaatst naar het westelijk front in Frankrijk. Hij overleefde de resterende jaren van de oorlog patrouillerend in de omgeving van de Belgische lakenstad Ieper. Gezien de afschuwelijke verliezen die door beide partijen in de lucht werden geleden, was dat een opvallende prestatie.

De verslagen van de belevenissen van Allingham en andere veteranen van de Eerste Wereldoorlog zijn zeer populair in Groot-Brittannië. Harry Patch’ memoires bereikten vorig jaar de top-10 van de bestsellerlijst. Tv-programma’s over de laatste overlevenden van de Great War trokken de afgelopen jaren miljoenen kijkers. Nu de generatie die de oorlog heeft meegemaakt van het toneel verdwijnt, kent de aandacht en bewondering voor deze mannen geen grenzen. Dat is wel eens anders geweest. De geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog beperkte zich tot de jaren zeventig van de vorige eeuw tot het bespreken van het optreden van de generaals achter de kaarttafel. Gezien de massale verliezen en de minimale terreinwinst die de gevechten aan het westelijke front kenmerkten, mag het geen verrassing zijn dat de hoge officieren er over het algemeen niet goed vanaf kwamen. De dappere mannen in de loopgraven werden schandalig slecht aangevoerd: lions led by donkies, zo luidde het oordeel.

Maar wat die mannen in de loopgraven nu precies doormaakten, dat vonden historici niet interessant genoeg om over te schrijven. Wie iets over de gruwelen van het Westfront wilde weten, moest zich wenden tot de literatuur en poëzie van war poets als Siegfried Sassoon, Robert Graves en Wilfred Owen.

Het was de Britse historicus John Keegan die in 1976 verandering bracht in deze situatie, met de publicatie van The Face of Battle. Voor het eerst had een onderzoeker zich systematisch verdiept in de belevenissen van de gewone soldaat op het slagveld. Wat zag hij, wat hoorde hij, wat voelde hij, wat dacht hij? Tommy, poilu (‘harige’, de Franse benaming voor een frontsoldaat) en Frontschwein waren niet langer gezichtsloze wezens die enkel terug te vinden waren in de ‘slagersrekening’ van een veldslag. Ze waren het waard om om zichzelf bestudeerd te worden.

Deze academische interesse leidde er niet onmiddellijk toe dat de nog levende veteranen werden uitgenodigd om hun verhaal te doen. De belangrijkste bronnen bleven de archieven, niet de mannen die het allemaal zelf hadden meegemaakt. Het duurde tot het begin van deze eeuw voordat historici en publiek zich realiseerden dat er in sommige bejaardenflats mensen woonden die iets uitzonderlijks hadden meegemaakt. In 2005 werden ze eindelijk uitgebreid voor het voetlicht gehaald. De BBC zond de reeks The Last Tommy uit en Richard van Emden publiceerde Britain’s Last Tommies, een oral-historyboek met interviews met de laatste overlevenden die in de loopgraven hadden gevochten.

Richard Holmes publiceerde een jaar eerder Tommy, een boek dat helemaal draaide om de frontervaringen van de Britse soldaat, maar waarin Holmes wel als verteller optrad. Hij leunde vooral op archiefmateriaal. Het ongestructureerd leeg laten lopen van een honderdplusser is voor een historicus weinig bruikbaar, meende hij. In zijn nieuwe boek Shots from the Front, gevuld met prachtige en aangrijpende foto’s van gewone soldaten, vertelt hij wat zijn ervaringen met veteranen zijn. ‘Er waren genoeg veteranen [aan het begin van mijn loopbaan], maar het was niet altijd makkelijk om met ze te praten. Voor sommigen was de oorlog hun „begraven, geheime jeugd”.’

Behalve deze zwijgzame mannen, waren er ook de beroepscauseurs, die hun verhaal mooier maakten bij iedere keer dat ze het vertelden. Homes: ‘De besten waren de mannen die nooit veel gezegd hadden over de oorlog, maar die, nu de jaren voortschreden, over hun eigen einde nadachten, en nog wat dingen wilden zeggen die gezegd moesten worden. Maar dan nog, je moet altijd voorzichtig zijn met de getuigenissen van veteranen: hoe zouden wij ons een fataal auto-ongeluk dat decennia geleden is gebeurd, herinneren en beschrijven?’

Dat soort nuances leek aan het grote publiek niet besteed, de verhalen van veteranen worden gevreten. Omdat inmiddels alle nog levende oude krijgers geïnterviewd zijn of hun memoires hebben gepubliceerd, moesten historici voor dit jubileumjaar weer teruggrijpen op de papieren bronnen om de gewone soldaat in de schijnwerpers te kunnen zetten.

Richard van Emden presenteert in zijn nieuwe boek The Soldiers’ War een indrukwekkende selectie van teksten die hij in de archieven van diverse regimenten aantrof. Hij voorziet ze per oorlogsjaar kort van commentaar, en laat voor de rest de mannen zelf hun verhaal vertellen. En dat doen deze tientallen gewone soldaten met een welsprekendheid die soms niet onderdoet voor wereldberoemde schrijvers als Graves, Remarque en Céline.

De beschrijving van een executie van een deserteur door soldaat John McCauley, die zelf deel uitmaakte van het vuurpeloton, is misselijkmakend, zo treffend omschrijft hij de angst van de ongelukkige kameraad die voor hem aan een paal wordt gebonden. De dagboeken van auteurs als McCauley verdienen het om onmiddellijk te worden uitgegeven. De passages van maximaal drie pagina’s zoals Van Emden die afdrukt, maken hongerig naar meer.

Terwijl het dankzij de militaire archieven nog relatief goed te doen is om het leven van de soldaten aan het front te reconstrueren, is het veel moeilijker te achterhalen hoe de gewone man en vrouw aan het thuisfront tegenover de oorlog stonden. Hun werd indertijd niks gevraagd door opiniepeilers of journalisten. Deze relatieve lacune in onze kennis wordt nu gedeeltelijk goedgemaakt door Tommy’s War, de prachtig uitgegeven dagboeken van Thomas Livingstone, een expediteur in Glasgow ten tijde van de oorlog. Een antiquair vond ze vorig jaar op een veiling en na een optreden in de Britse versie van Tussen kunst en kitsch werd hij overspoeld door aanbiedingen van uitgevers om de dagboeken te publiceren.

Het mooie aan de schriftjes van Livingstone is dat hij niet alleen iedere dag beschreef wat hem en de wereld was overkomen, maar dat hij zijn aantekeningen ook voorzag van een grappige cartoon. De mix van het huiselijke nieuws met de berichten over de oorlog, zorgt soms voor welhaast surrealistische passages: ‘De dokter komt ’s middags langs. Tommy (Livingstone’s zoontje van vijf) heeft de mazelen. Dokter zegt dat het een milde variant is. Revolutie in Rusland. Tsaar onttroond. De Doema is aan de macht. De tsaar en tsarina zijn gevangen.’

En zo is het met de opmars van de gewone man in de geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog nog niet gedaan. Te hopen valt dat er de komende jaren nog meer van deze egodocumenten worden uitgegeven. En laat dan over een jaar of tien een historicus deze parels aaneenrijgen tot een mooie ketting: een definitieve geschiedenis van The Great War.