Stilte vanuit het Vaticaan

Paus Benedictus XVI overweegt om de zaligverklaring van Pius XII, paus van 1939-1958, wegens diens omstreden houding in WO II te bevriezen. Hoe omstreden Pius is, blijkt uit een recente studie.

Dirk Verhofstadt: Pius XII en de vernietiging van de Joden. Houtekiet/Atlas, 464 blz. € 29,95

Vijftig jaar geleden, op 9 oktober 1958, stierf paus Pius XII, leider van de Rooms-Katholieke kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de grootste misdaad uit de geschiedenis van de mensheid plaats had, de moord op zes miljoen joden door de nazi’s. In 1963 beschuldigde de Duitse auteur Rolf Hochhuth in zijn toneelstuk Der Stellvertreter de paus ervan dat hij niets had gedaan om de vervolging van de joden te veroordelen en het einde ervan te bespoedigen. Dat leidde tot een internationaal debat dat tot op de huidige dag voortduurt.

Pius, in 1939 tot paus gekozen, zweeg volgens vele historici hoewel hij al in de eerste oorlogsjaren op de hoogte was van de Jodenvervolging. In veel publicaties die na Hochhuths toneelstuk verschenen, werd hij veroordeeld als een sympathisant van het fascisme en een morele lafaard. De paus had ook vele verdedigers, onder wie de hervormde theoloog Hans Jansen, die in De zwijgende paus? Protest van Pius XII en zijn medewerkers tegen de Jodenvervolging in Europa stelde dat de paus‚ binnen de grenzen van het mogelijke, zowat alles heeft gedaan om joden te redden.

Vier jaar na de eerste opvoering van Der Stellvertreter reageerde de kerk: op 18 oktober 1967 begon de procedure tot zalig- en (later) heiligverklaring van Maria Giuseppe Giovanni Eugenio Pacelli, zoals Pius XII vóór zijn pontificaat heette. Het proces is vergevorderd. In mei 2007 oordeelde de Congregatie voor Zalig- en Heiligverklaringen dat Pius voldoende ‘heldhaftige deugden’ kunnen worden toegeschreven. Daarmee is aan de eerste voorwaarde voor zaligverklaring voldaan, nu rest alleen nog de certificatie van een mirakel.

Verdedigers van Pius XII die menen dat hij ‘het slachtoffer is van een duistere legende’ (kardinaal Bertone, staatssecretaris van het Vaticaan), willen het proces bespoedigen. En dit streven inspireerde de Vlaamse auteur Dirk Verhofstadt zich in het debat over de oorlogspaus te mengen, want ‘heiligverklaring zou de erkenning zijn dat Pius XII heeft gehandeld overeenkomstig Gods wil, en dat zou de zoveelste kaakslag betekenen voor de joden die werden afgeslacht en het christelijke principe van naastenliefde verpulveren tot een waardeloos begrip’.

Dit citaat is ontleend aan Verhofstadts conclusie die volgt op een even omvangrijke als toegankelijke, helder geschreven studie over de historische feiten van de Holocaust en de argumenten en hypothesen van vele voor- en tegenstanders van Pius XII. De stellingname van Verhofstadt tegen heiligverklaring is mede gebaseerd op een toetsing van moraal-theologische voorwaarden die volgens de kerkhistoricus wijlen prof. Boudens van de Katholieke Universiteit Leuven van toepassing zijn. Die toetsing valt negatief uit voor de kerk en haar leider tijdens de oorlog. Verhofstadt onderschrijft summa summarum het oordeel van de katholieke theoloog Hans Küng dat ‘het stilzwijgen over de Holocaust meer dan een politiek falen is, het is een moreel falen’.

Over de drijfveren en de houding van Pius XII tijdens de oorlog en de vervolging van de joden kan volgens Verhofstadt nog geen ‘finaal beeld’ worden opgemaakt. Daarvoor ontbreken nog te veel gegevens uit de Vaticaanse archieven. Er is wel een selectie beschikbaar, de Actes et Documents du Saint Siège relatifs à la Seconde Guerre Mondiale, maar de vrijgave van alle relevante documenten zal nog zeker zes of tien jaar duren – als het al gebeurt, want sommige sceptische historici hebben daar zo hun twijfels over.

Voorafgaand aan zijn onderzoek naar het optreden van Pius XII beschrijft Verhofstadt het sinds de Middeleeuwen door vele pausen gelegitimeerde antisemitisme van de Rooms-Katholieke kerk. Hij meent dat ‘de onvoorstelbaar diepe haat van de Duitsers, maar ook van de Oostenrijkers en tal van andere christelijke Europese volkeren tegen de joden in de loop van de 20ste eeuw hierop is terug te voeren’. Hij geeft dan een gedocumenteerd overzicht, met veel persoonlijke getuigenissen, van de jodenvervolging door de nazi’s, in Duitsland en alle door Hitler bezette landen in Europa en de reacties van de lokale katholieke kerkleiders. Velen zwegen, velen (zoals de in 1998 zaligverklaarde kardinaal Stepinac in Kroatië) hielpen de nazi’s, weinigen boden moedig verzet, zoals de Nederlandse kardinaal De Jong.

Paus Pius XII zweeg niet over de nazimisdaden, zoals zijn tegenstanders vaak beweren. Drie keer heeft hij zich tijdens de oorlogsjaren publiekelijk uitgesproken, aldus Verhofstadt, maar belangrijker is de vraag of die uitspraken doeltreffend waren. Zijn eerste uitspraak, in zijn kerstboodschap die radio-Vaticaan in december 1942 uitzond, is voor zijn verdedigers verreweg de belangrijkste. Pius besloot een lange, saaie toespraak met één zin over ‘honderdduizenden die niet door eigen schuld, maar soms alleen vanwege hun nationaliteit of afstamming zijn gedoemd tot de dood of langzaam wegkwijnen’. Verhofstadt: ‘Geen woord over Joden, Polen, de nazi’s of de kampen’, dus een ‘vage, moreel laakbare veroordeling’.

In 1943 veroordeelde de paus in zijn encycliek Mystici Corporis Christi de euthanasie op geesteszieken en anderszins gehandicapten die in 1939 in Duitsland begon en in 1941 – er waren toen 70.000 mensen omgebracht – werd stopgezet. Dat gebeurde na een openbare veroordeling door kardinaal Von Galen in Münster – protest hielp dus wel, constateert Verhofstadt. In 1943 deporteerden de nazi’s ruim duizend joden uit Rome, maar zelfs toen liet de paus geen protest horen. Op de vraag waarom, zei hij later: ‘In het Duitse leger zijn miljoenen katholieken. Moet ik hen in een gewetensconflict brengen?’ Een enkele keer laat Verhofstadt zijn verontwaardiging meespreken. De paus protesteerde niet tegen de Endlösung, maar wel (bij de geallieerden) ‘luidkeels tegen een mogelijk bombardement van het Vaticaan.’ [...] ‘Blijkbaar vond hij bakstenen belangrijker dan mensenlevens.’ Iets te gemakkelijk, deze uithaal, maar een uitzondering.

Verhofstadt schrijft ongenadig verder over de naoorlogse periode, toen het Vaticaan nazi’s in kloosters verborg, ze hielp ontsnappen naar Argentinië en – volgens een richtlijn van de paus – ook weigerde om gedoopte Joodse kinderen aan hun familie terug te geven. De kerk heeft nooit een hooggeplaatste nazi geëxcommuniceerd, constateert Verhofstadt, maar in 1948 vroeg Pius XII wel genade voor beruchte massamoordenaars als de SS’er Otto Ohlendorf, die 90.000 mensen liet executeren.

Het ‘finale beeld’ mag dan ontbreken, maar twee pauselijke drijfveren zijn onmiskenbaar. Pius XII had een ‘onpeilbare afkeer van en angst voor het communisme’ – vandaar de Vaticaanse concordaten met Hitler en Mussolini en de steun aan Franco in Spanje. En, wat minder bekend is, deze paus had eveneens een ‘grenzeloze verachting voor de liberale democratie’. Die combinatie is, zo oordeelt Verhofstadt, ‘dé reden dat Pius XII bereid was de prijs – de uitroeiing van de joden – te betalen om de positie van de kerk te beschermen en te versterken’.