sinterklaas in geldnood

Ook de Sint heeft last van de kredietcrisis. De bank waar hij zijn spaargeld op had staan, is failliet. Er is weinig geld voor kadootjes.

Het ging deze zomer al mis, toen de Sint nog ontspannen aan het strand in Spanje zat te zonnen. Zonnebril op, onder de parasol, puzzelboekje en drankje erbij. Straks, in november en december zou hij weer hard moeten werken met zijn Pieten, maar nu wilde de Sint even ontspannen. Mijter en mantel en staf in de kast, de lange zwembroek aan. En af en toe een beetje pootje baden in de Middellandse Zee, als het te warm werd.

En toen gebeurde het. De Sint trapte in een zee-egel. Al honderd jaar baadde hij in zee, en nog nooit was dit gebeurd. Hij had het meteen door, hij voelde een prik, trok zijn voet weg, maar… te laat. In zijn grote teen zat een zwarte, gemeen prikkende stekel van de zee-egel. Hij hompelde weg uit zee naar zijn strandstoel – niet makkelijk als je een stekel in je teen hebt en geen staf om op te steunen.

Terwijl Sint probeerde het zwarte puntje uit zijn teen te verwijderen, kwamen de twee Kas-Pieten naar hem toe. „Sint”, zeiden ze. „De bodem van de geldkist komt in zicht. Wij stellen voor dat we met het geld dat we nog hebben geld gaan verdienen. Wij weten banken met een hoge rente en…”

„Niet nu jongens, niet nu”, zei de Sint. „Ik heb een zee-egelstekel in mijn teen… enne.. onze pakhuizen zijn toch boordevol?”

„Alleen nog maar met pepernoten en chocolademuizen met witte vulling, Sint, en een partijtje chocoladeletters”, zei de ene Kas-Piet met een somber gezicht. „En cadeaus kopen we niet meer van tevoren”, zei de andere Kas-Piet. „De spullen die kinderen hebben willen veranderen ieder jaar. We hebben geen voorraad, dus…”

„Oké”, zei de Sint. „Doe maar wat je nodig vindt… en roep de Dokter-Piet’’.

Dat was in de zomer, toen alles nog zorgeloos leek. Maar nu. Het was begin november en Sint zat met zijn handen in zijn haar. De Kas-Pieten waren net bij hem geweest. Sint deed z’n gymnastiekoefeningen met z’n Wii. „Sint”, vroegen ze, „weet u wat de kredietcrisis is?” „Ja, ja”, mompelde de goedheiligman springend. „Banken die geen geld meer hebben en uitlenen, bedrijven die steeds minder waard worden…”

„Precies”, zeiden de Kas-Pieten, „dat is ook met ons aan de hand. We hebben al ons geld aan de Leenmanbank geleend, en aan een IJslandse bank. En die banken zijn nu failliet.” De Sint stopte met springen. „Wat betekent dat voor ons?”

„Dat wij geen cent meer hebben, Sint. Dat we geen cadeautjes kunnen kopen. Dat we de komende maanden van onze pepernootvoorraden moeten leven.”

Sint was helemaal van slag. Hoe kon dit, vroeg hij aan zijn Kas-Pieten. Die bankmensen hebben toch verstand van geld? Tsja, zeiden de Kas-Pieten, dat is nou een bankcrisis. De banken hebben te wild geld uitgeleend en nu zitten niet alleen zij, maar iedereen met de gebakken peren. En niemand zag het aankomen. „Ook wij niet, Sint”, zeiden de Kas-Pieten.

„Maar je hebt toch zo’n toezichtbank in ieder land? Toe hoe heet hij, ik heb de kleine Noutje die nu daar de baas is nog op schoot gehad, en een peperkoek gegeven omdat hij zo zoet was.”

„Ja”, zeiden de Kas-Pieten. „Hij zei ook dat we op de IJslandse bank gewoon geld konden zetten. Hij geeft nu samen met de minister die over het geld gaat, Wouter Bos, geld aan banken die problemen hebben. En aan spaarders.”

„Ach ja, Woutertje, die heb ik ook nog op schoot gehad. Kan hij ons niet geld voorschieten?”

„Nee Sint, alleen kleine spaarders krijgen geld. Wij niet.”

„Dit is erger dan een zee-egel”, zuchtte de Sint. „Geen geld. Wat moeten we al die kinderen nu geven?”