Schama, Obama en de erfenis van Jefferson

Alleen al de titel van Simon Schama’s nieuwe boek – De Amerikaanse toekomst, een geschiedenis – leek op een overwinning van Barack Obama vooruit te lopen, en waarschijnlijk was dat ook de bedoeling: alsof de schrijver de uitslag van afgelopen dinsdag heeft willen provoceren. Voor een BBC-serie reisde hij dit jaar door de Verenigde Staten. Niet als een verslaggever die de actuele verkiezingsstanden bijhield, maar als de historicus die bijna tot z’n eigen verbazing ontdekte dat Amerikanen in geval van nood nog altijd, als bij instinct, een nieuwe frontier zoeken en vinden. Als het geen letterlijke is, dan is het wel een overdrachtelijke; het geloof dat er iets nieuws staat te beginnen is er niet minder om.

‘Het heden leek aan alle kanten doortrokken van geschiedenis’, schreef Schama na een van de vroegste grass roots-bijeenkomsten die hij in Iowa bijwoonde: ‘Toen Obama zei dat hij een einde wilde maken aan de tweedeling in rode staten en blauwe staten, kon je onmogelijk aan iets anders denken dan aan de inaugurele rede die Thomas Jefferson hield na de bittere verkiezingen van 1800, die hem tenslotte aan de macht brachten, waarin hij verklaarde dat we allemaal republikeinen en allemaal federalisten zijn’.

In het boek functioneert Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten, auteur bovendien van de Onafhankelijkheidsverklaring, als rolmodel. Schama’s bewondering voor het haast ideale prototype van de Verlichte Mens – advocaat, politicus, liefhebber en beoefenaar van muziek en schilderkunst, schrijver, wetenschapper, architect – is mateloos. Jeffersons rol in de praktische politiek werd in de eerste jaren van het onafhankelijk geworden Amerika in hoge mate bepaald door zijn principiële verschil van mening met Alexander Hamilton, die de schatkist beheerde in hetzelfde kabinet (nog onder Washington) waarin Jefferson Buitenlandse Zaken deed. Hamilton was een vurig federalist, militair van opleiding, voorstander van een staand (beroeps)leger, en op een bijna imperialistische manier overtuigd van Amerika’s opdracht om zich als dat wenselijk leek ook buiten de grenzen, eventueel zelfs buiten het continent te laten gelden. De ‘Manifest Destiny’ in wording.

Jefferson hield er op al die punten tegengestelde opvattingen op na. Dat het conflict met Hamilton tot een nationale breuk zou leiden tussen hen die later Democraten en Republikeinen zouden heten, was een typisch politiek bijproduct van hun onverenigbare humeuren.

Jefferson geloofde heilig in volkssoevereiniteit, en in ieders recht om naar eigen persoonlijke beginselen z’n leven in te richten. Hij was geen pacifist (hij richtte nota bene West Point op), maar was er zeker van dat burgermilities de nationale veiligheid als het er op aan kwam beter zouden dienen dan een permanente, logge krijgsmacht. Hij was evenmin een atheïst. ‘Hij geloofde’, schrijft Schama, ‘dat er een goddelijke ontwerper bestond, de grote horlogemaker van de Verlichting.’ Want: ‘Alles wat in de religieuze leer van waarde was, moest de toets van de rationele kritiek doorstaan’. Maar op de University of Virginia die hij stichtte, was volgens hem geen plaats voor een theologische faculteit. Iedereen kon immers ook zonder tussenkomst van specialisten heel goed op eigen kracht een relatie met onzelieveheer aangaan en onderhouden. Schama schrijft met licht sardonisch genoegen: ‘Net zo min mocht er sprake zijn van zondagsdiensten, een geestelijke of een kapel. In plaats daarvan zou er een rotunda komen met boven in de koepel een oculus als in het Pantheon in Rome, zodat de stralen van de Rede de studenten tijdens hun studie zouden kunnen verlichten.’ Een neefje kreeg tezelfdertijd van oom Thomas het advies: ‘Lees de Bijbel zoals je Livius of Tacitus zou lezen’.

Zonder daar al te dogmatisch over te doen, onderscheidt Schama in zijn reisverhaal een ‘Jeffersonian’ naast, en meestal tegenover een ‘Hamiltonian’ politiek. Herkenbare Hamiltonianen waren Theodore Roosevelt, die om zijn veroveringszucht tegen Spanje (eerst Cuba, later ook nog – buiten het continent! – de Filippijnen) de woede van Mark Twain over zich heen kreeg, en verder Nixon, Ronald Reagan en George W. Bush. In dezelfde tijdspanne zou je Woodrow Wilson, Franklin D. Roosevelt, Kennedy en Johnson Jeffersonianen kunnen noemen, met Eisenhower, Carter en Bush Sr als een paar lastig te duiden tussenfiguren.

En Obama?

In aanleg een Jefferson, dat lijkt voor Schama nauwelijks een vraag. En in aanleg ook een grensverlegger – dat hoorde je behalve aan z’n woordkeus vooral ook telkens aan de rustige kanseltoon waarmee hij het heden van een superstadion kon laten doortrekken met de geschiedenis van twee eeuwen opstandige zwarte kerk. Het feit dat hij met steun van miljoenen Amerikanen de eerste zwarte president wordt, heeft zijn aankondiging van ‘een nieuw tijdperk’ extra gewicht. Yes we can steekt misschien wat bleekjes af bij een New Deal , een Great Society, of de kersverse leuzen die John F. Kennedy van Arthur Schlesinger in de mond gelegd kreeg – maar honderdduizenden mensen hebben hem de drie woorden nagezegd en nageroepen met een geestdrift die je in een doorsnee democratisch klimaat anno 2008 niet meer voor mogelijk had gehouden, De tranen van Jesse Jackson, half Washington dat juichend de straat op gaat, de popsterren-ambiance aan de voet van het vereerde podium, de dodelijk vermoeide man die nog één keer Gods zegen over de Verenigde Staten afroept – als Obama die beelden voor ogen houdt, en ook nog met aandacht naar Schama luistert, kan het weer wat worden in Amerika.