R'dam krijgt podium voor jeugdcultuur

Met minimaal verschil (22 stemmen vóór, 21 tegen) heeft de Rotterdamse gemeenteraad gisteravond ingestemd met de komst van een gesubsidieerd centrum voor de grootstedelijke jongerencultuur.

Het stadsbestuur steekt 11 miljoen euro in het Urban Culture Podium, dat wordt ondergebracht in de Maassilo in Rotterdam-Zuid en op 1 mei de deuren opent.

Tegen het plan bestaat veel verzet. De bestaande en toch al kwetsbare poppodia in Rotterdam vrezen voor oneerlijke concurrentie. Het twee maanden geleden geopende Watt heeft gedreigd de deuren te (moeten) sluiten. Wethouder Rik Grashoff (participatie en cultuur, GroenLinks) paste zijn omstreden voorstel vorige week aan met de toezegging dat in de grootste zaal (capaciteit 2.000 plaatsen) geen muziekconcerten mogen worden geprogrammeerd.

Die handreiking heeft zowel de sector zelf als de oppositie niet op andere gedachten kunnen brengen. „Ook met twee zalen blijft het urban podium een bedreiging”, aldus Dick Pakkert van Stichting What’s Live, verantwoordelijk voor programmering van Watt. Het plan zou bovendien te groot en te massief zijn voor een te kleine en bovendien vluchtige doelgroep. Ook expositieruimte LP II in het nabijgelegen Las Palmas vreest inkomstenderving.

Twee van de drie raadsleden van coalitiepartij VVD keerden zich gisteren tegen het voorstel, net als één PvdA’er. „Een te genereuze behandeling van één ondernemer”, oordeelde VVD-dissident Kees de Gruiter. De gemeente koopt de huidige gebruiker van de Maassilo, horecaondernemer Koos Hanenberg, voor 2,9 miljoen euro uit. Desondanks mag hij jaarlijks nog twaalf evenementen organiseren in de voormalige graansilo.

Dit tot woede van de grootste oppositiepartij, Leefbaar Rotterdam (veertien zetels). Omdat Hanenbergs huurcontract met de gemeente – eigenaar van de Maassilo – over zeven maanden afloopt, zou de ‘oprotpremie’ hooguit enkele tonnen moeten bedragen, rekende LR-raadslid Anton Molenaar voor. „Rotterdam spekt de portemonnee van een dubieuze ondernemer.” Een door hem ingediende motie van wantrouwen tegen Grashoff kreeg geen meerderheid.