Prins Bernhard kwam aan de lijn

In Atte Jongstra’s bijdrage aan de Privé-domeinreeks worden de ‘klinkende ikken’ door eigen ficties en fixaties overstemd.

Atte Jongstra: Klinkende ikken. De Arbeiderspers, 422 blz. € 25,-

Wanneer een schrijver als Atte Jongstra zich aan autobiografisch proza wijdt, gaan er alarmbellen rinkelen. Jongstra is nu eenmaal een schrijver met een voorliefde voor dubbele bodems, pastiches en literaire valkuilen. Zijn vorige boek, De avonturen van Henry II Fix, bestond zelfs uit een verzonnen autobiografie. Genoeg reden om Klinkende ikken met enig wantrouwen open te slaan. Gaat Jongstra het werkelijk over zichzelf hebben? De ondertitel is veelzeggend: Bekentenissen van een zelfontwijker.

Voor lezers die bang zijn dat er een ingewikkeld spel met hen gespeeld wordt, bestaat er gelukkig een manier om ten minste een deel van de door de auteur verschafte informatie op betrouwbaarheid te controleren. In het tweede hoofdstuk geeft Jongstra een opsomming van de prenten en objecten die zich in zijn werkkamer bevinden. Toevallig werd een paar maanden geleden op de boekensite van deze krant een panoramafoto van dezelfde werkkamer gepubliceerd, gemaakt door Roelof de Vries. En kijk, daar zien we de ‘scheef getekende kievit’ hangen, en op de schoorsteen staat inderdaad ‘een sierbordje waarop een Malteekse dienstbus’ naast ‘een scheef zeilscheepje in een kastje van glas’. Alleen de baksteen waarop in gotische letters ‘Gott’ staat, en die volgens Klinkende ikken aan ‘een ragdun, nylon touwtje’ boven Jongstra’s bureaustoel moet hangen, ligt gewoon in de vensterbank.

Klinkende ikken verschijnt in de reeks Privé-domein, en Jongstra lijkt zich schoorvoetend neer te leggen bij het autobiografische karakter van die serie. Hij begint met jeugdherinneringen en verhalen over het dorp waarin hij opgroeide, zonder dat dit geïnspireerd proza oplevert. Zelfs als het parodieën zouden zijn (maar die indruk krijg je nergens), zijn het sleetse parodieën.

Ook als hij gebeurtenissen uit zijn volwassen bestaan beschrijft, klinkt er iets plichtmatigs door, alsof hij het wel probeert, maar weet dat het nergens toe zal leiden. Zijn laconieke toon schiet regelmatig door in de oubolligheid van iemand die zich een houding probeert te geven. Van introspectie houdt hij niet. ‘Er is iemand die mij niet bij me binnen wil laten,’ schrijft hij. Die ander is uiteraard niemand anders dan de schrijver zelf.

Over de boeken die hem hebben gevormd, schrijft Jongstra nauwelijks. Dat heeft hij dan ook al eerder gedaan, bijvoorbeeld in De psychologie van de zwavel en Familieportret, waarin hij de schrijvers waarmee hij zich verwant voelt op allerlei manieren de revue laat passeren. Omdat die boeken betrekking hebben op het werk van Jongstra als schrijver leveren ze een veel relevanter zelfportret op dan de bekentenissen en belevenissen die hij zijn lezers in Klinkende ikken voorschotelt. Eigenlijk heeft Jongstra zijn kruit op autobiografisch gebied al verschoten; halfslachtige verhalen over ongelukkige jeugdliefdes en pijnlijke echtscheidingen kunnen daar weinig aan veranderen. Je krijgt de indruk dat ook Jongstra dit niet ontgaat. Naarmate het boek vordert, ontpopt hij zich tot een autobiograaf die het liefst over anderen schrijft. Zo wordt Klinkende ikken alsnog een bij vlagen zeer leesbaar boek.

Jongstra’s manier om autobiografische elementen in te passen in een omgeving waarin hij zich veel meer thuis voelt, komt misschien wel het duidelijkst naar voren in het hoofdstuk ‘Over het beklimmen van de Vesuvius’. Met als uitgangspunt de zin ‘In 1902 beklom Freud de Vesuvius’, die hij in 1986 in een ‘vreemd Zweeds voetnotenboek’ tegenkwam, begint Jongstra een grote hoeveelheid kennis over de lezer uit te storten. Hij somt op welke vulkanen in 1902 uitbarstten, wie in dat jaar welke bergen beklom, vraagt zich af waarom Freud zijn beklimming nooit uitgebreid heeft beschreven, citeert Sade, die zijn personage Juliette dezelfde vulkaan laat bezoeken en komt uiteindelijk uit bij Camillo Monteculi, een patiënt van Freuds collega Wilhelm Stekel.

Deze Monteculi was een ‘hartstochtelijk bergbeklimmer’, die ‘psychisch impotent’ was. Nu er een verband tussen bergbeklimmen en impotentie is gelegd, begint Jongstra voorzichtig uit te leggen dat ‘ik ook wel… eh… ook wel eens niet kon’. Toch is het verhaal dat begon met Freuds beklimming van de Vesuvius geen inleiding voor een verhandeling over Jongstra’s eigen problemen. Integendeel, die problemen zijn een voetnoot bij de rest van het hoofdstuk. Jongstra frommelt ze er een beetje tussen, en is – net als de lezer, overigens – opgelucht wanneer zijn autobiografische plicht erop zit en hij weer terug kan keren naar Freud (die waarschijnlijk zo zwijgzaam over de details van zijn beklimming van de Vesuvius was omdat er in die tijd een treintje naar de top ging).

Het zijn de uitweidingen die Klinkende ikken redden. Het zelfontwijken waar Jongstra zijn lezers al in de ondertitel voor waarschuwde, blijkt in literair opzicht een zegen. Als de fantasie het helemaal overneemt wordt het boek zelfs hilarisch. Het hoofdstuk ‘In gesprek met de prins’, dat zich afspeelt in een parallel universum waarin de Tweede Wereldoorlog pas in 1965 is afgelopen, begint met de zinnen: ‘Prins Bernhard ontmoette ik voor het eerst op 14 augustus 1995. Hij had me de dag tevoren opgebeld om me te feliciteren met mijn verjaardag, die hij op een schrijverskalender op een van de Soestdijk-wc’s vermeld had gezien.’

Ondanks het autobiografische uitgangspunt van het boek zal me toch vooral de oude prins-gemaal bijblijven die op het toilet bekijkt welke Nederlandse auteurs die dag verjaren, en Freud die het treintje naar de top van de Vesuvius neemt. Hopelijk kan Jongstra er mee leven dat zijn klinkende ikken door zijn eigen ficties en fixaties worden overstemd – sterker nog, hij lijkt er voortdurend op uit.