Portret

Ik woonde aan de rand van Amsterdam Oost, waar de straten breed zijn en met bomen omzoomd. Waar ik nu woon zijn de huizen grauw. Ik heb nog geen vogel gezien en ik weet niet goed de weg. Zoekend op de kaart ontdekte ik dat als je de kaart van de stad langs de Amstel dubbel vouwt en een speld zet in mijn oude adres, de naald precies de straat doorboort waar ik nu ben gaan wonen, aan de rand van West. Om grip te krijgen op mijn nieuwe situatie heb ik heb deze gemankeerde vlinder boven mijn bureau aan de wand geprikt.

Het is natuurlijk geen verhuizing van belang. Ik woon nog steeds in dezelfde stad, ik heb van niemand afscheid hoeven nemen en ik kan zelfs mijn oude buurtcafé nog gemakkelijk bereiken. Maar wanneer ik naar huis ga, fiets ik voor mijn gevoel de verkeerde kant op. En wanneer ik ’s ochtends de deur uit ga, weet ik niet welke kant ik het beste op kan gaan. De straten zijn mogelijkheden geworden, in plaats van groeven waarlangs ik me gewoonlijk en gemakkelijk beweeg. Elke stap is een bewuste keuze en elke straathoek vraagt om een beslissing.

Waar ik geen rekening mee had gehouden is dat ook de straten die ik wél goed meende te kennen, zich hebben teruggetrokken in een onbekend schemergebied. Er is een schaduwstad voor in de plaats gekomen. Ik zie dat mijn oude straat eigenlijk niet zo heel breed is, en ik zie dat de huizen hier net zo grauw zijn als in West. De gevels hellen voorover en laten amper zonlicht door. En waar zijn alle bomen gebleven? Heb ik hier wel gewoond?

Om iets terug te vinden van de stad waar ik tot een paar dagen geleden heb gewoond, besluit ik nog één keer mijn oude huis te bezoeken. Voorzichtig open ik de voordeur. Het ruikt naar paddenstoelen en brak water, een geur die me niet eerder is opgevallen. Wanneer ik de trap op ga, schaven mijn knieën de treden die ik nog moet beklimmen en ik meen te zien dat de trap zich uitrekt. Eenmaal boven kijk ik buitenadem een malende diepte in. Ik tast naar de lichtschakelaar – zonder resultaat. In het donker zoek ik mijn voordeursleutel en wanneer ik eindelijk de deur heb geopend, zie ik dat ik hier niet meer thuis ben.

Iemand heeft het huis schoongemaakt met een grondigheid die elk spoor van mijn aanwezigheid heeft uitgewist. De muren zijn verwijtend wit, en nu de ruimtes leeg zijn, ziet het huis eruit als een maquette. Dit is geen woning meer maar een voornemen. Dit huis heeft me verlaten.

Het stuit me tegen de borst dat ik geen blijvender indruk heb kunnen maken op een plek waar ik jaren heb gewoond. Ik overweeg mijn naam en geboortedatum te krassen in de houten vloer die akelig ligt te glimmen. Ik zou ook een briefje kunnen achterlaten onder de losse steen van de schouw ten teken dat ik hier heb gewoond. Uiteindelijk besluit ik om een haar achter te laten onder de steen. Dit biedt een gedetailleerder portret van mij dan wanneer ik een serie foto’s van mijn gezicht boven de schouw zou hangen, stel ik mezelf gerust. Hier rust mijn DNA, besluit ik terwijl ik een lange haar uit mijn hoofd trek om deze plechtig onder de steen te leggen.