Pionnetjes bij volle maan

Malini Roy: 50 x India. De 50 mooiste miniaturen van het Rijksmuseum. Rijksmuseum, 140 blz. € 21,95

Jarenlang heeft een Amsterdamse medicus Indiase miniaturen verzameld. Hij heette P. Formijne, en naarmate zijn verzameling groeide namen zijn zorgen toe. Steeds weer unieke, soms kostbare miniaturen aankopen in de kunsthandel, op veilingen of bij particulieren kan niet onopgemerkt blijven. Er zijn mensen met dezelfde passie die je van alles misgunnen. En er zijn boeven die in opdracht van die laatste categorie graag hun slag slaan. Formijne vroeg het Rijksmuseum in Amsterdam om raad en dat zegde toe voortaan elke lente zijn Indiase schilderingen op te halen en ze in de herfst weer terug te brengen, zodat het echtpaar met een gerust hart met vakantie kon gaan.

In 1978 mocht het Rijksprentenkabinet laten zien wat die privé-verzameling behelsde. Reden voor deze krant om toen Formijne te benaderen met de vraag waarom zijn oog was gevallen op dit type schilderingen en niet op bijvoorbeeld Europese getijdenboeken of cartografie, genres die dezelfde schilder- of tekenkunstige verfijning laten zien. Van dat gesprek kwam niets terecht. Kort daarvoor was Formijnes angst bewaarheid. Bij een inbraak was zijn schilderijenbezit uitgedund. De miniaturen waren gelukkig nog uit logeren.

Twintig jaar later is opnieuw een deel van de inmiddels gelegateerde Formijne-collectie te zien, en nu in het Van Goghmuseum. Het zijn vijftig van de in totaal vierhonderd Indiase miniaturen uit de 15de tot en met de 19de eeuw die het Rijksmuseum rijk is – een kleinere deelcollectie dan die van Fondation Custodia in Parijs, en een nog veel kleinere dan die van het Londense Victoria & Albert Museum dat de grootste verzameling Indiase kunst bezit.

Omdat de voorstellingen van hofleven en liefdesperikelen, van veldslagen en Krishna-avonturen, van kibbelende eenden en vechtende kamelen doorgaans in gouache en waterverf met de dunste penselen en in de meest delicate kleurnuances zijn gemaakt, is het aan te raden vooral het boek aan te schaffen dat deze tentoonstelling begeleidt. Het is toegankelijk geschreven door een Britse expert, zorgvuldig geïllustreerd met paginagrote reproducties van alle vijftig geselecteerde miniaturen, het biedt een handig overzicht van de Indiase schilderscholen die voor een leek lastig uit elkaar zijn te houden, en het geeft geen achterhoofden te zien die je in een museumzaal het zicht op die intieme taferelen ontnemen.

De miniatuurschilderkunst, aanvankelijk bedoeld als boekillustratie, heeft zich in de vier uithoeken en in het centrum van India gemanifesteerd. Zo zwierig en bont gekleurd als de vroegste schilderingen waren, zo gestileerd en voornaam oogt het latere werk, van zowel de noordelijke Punjab School als die van de Deccan in het zuiden. Cruciaal is de invloed van de Perzische schiIderkunst geweest die zich in de 16de eeuw via oprukkende Mogolvorsten, moslims uit Zuidoost-Azië, in India verspreidde en zich hier en daar mengde met bestaande hindoeïstische stijlen.

Net als in Europa richtte ook hier de hoogste klasse van sultans, vorsten en prinsen in de 17de en 18de eeuw eigen ateliers op en nodigde getalenteerde buitenlandse ambachtslieden uit om historische heldendichten en religieuze manuscripten te illustreren. Van wat die vaklui op een paar vierkante decimeters aan elegantie en raffinement uit de kast haalden, werden mappen of albums samengesteld waarvan achter gesloten paleisdeuren werd genoten.

Het meest in aanzien staat nog steeds de meer realistische Mogol-stijl, in de verte geënt op Europese gravures en medailles. Eerst was de Indiase heerser te mooi om waar te zijn. Hij nam bijvoorbeeld tijdens het poseren bij voorkeur zichzelf als verwend watje waar in de spiegel, terwijl om hem heen hovelingen met waaiers en vliegenmeppers in de weer waren. Latere vorsten en leiders, net zo goed gekleed in de sierlijkste kostuums, kregen een meer eigen gezicht, dat hen minder poppig maakt.

Voor westerse ogen blijft dat zogenaamde Mogol-realisme natuurlijk betrekkelijk. Want of het nu de doorzichtig geklede dames zijn die in een paleistuin bij volle maan een potje mens-erger-je-niet zitten te spelen of het bovenaanzicht van een gigantisch paleiscomplex waarvan architectuur, bewoners plus olifanten tot op de millimeter zijn vastgelegd – elke westerling wordt vier eeuwen later nog steeds een onwezenlijke wereld binnengevoerd, waar men in de stille weidsheid van paleistuinen met gracieuze gebaren dient en bediend wordt. Vrouwen schoppen het daarin niet verder dan inwisselbare decorstukken. Alleen in de portretten van dieren, van een woest geworden olifant bijvoorbeeld, kon de miniaturist iets van zijn driftleven kwijt.

Misschien geeft het Rijksmuseum ooit een catalogue raisonné uit van de hele collectie Indiase miniaturen. Je zou kunnen denken dat dit genre nu wel een stille dood nabij is. Maar dat hoeft niet, zo blijkt uit het werk van Shahzia Sikander (1968), een in Lahore opgeleide miniaturiste die nu in New York woont, en die voortborduurt op haar traditioneel geschilderde Indiase miniaturen door daar letterlijk modernistische, lefgozerige taferelen overheen te schilderen.