Overal konden nazi's op je loeren

Wolfgang Kotek was in 1938 een joods jongetje van acht jaar in Wuppertal. Ook daar ging de synagoge in vlammen op. Een jeugdherinnering.

Terreur Op 10 november 1938, daags na de zoveelste wandaad van de nazi’s, keek ik met mijn moeder verbijsterd naar de smeulende as van onze volledig afgebrande synagoge. Van de fraaie sjoel in Wuppertal-Elberfeld, op loopafstand van onze woning, was slechts een hete en stinkende ruïne overgebleven. Wij stonden op enige afstand van de plek waar ik nog een week tevoren joodse les kreeg, waar ik met mijn ouders de synagogediensten bijwoonde en naar het koor met de prachtige liturgische melodieën van de componist Lewandowski luisterde.

Wij werden beheerst door een mengeling van onzekerheid, angst en paniek en moesten onopvallend, stil en onherkenbaar blijven. Waar je je ook vertoonde, overal konden nazi’s en verraders op je loeren. Wat zou er nog meer op ons afkomen? Wij wisten dat vrijwel niemand ons kon helpen, want het dagelijkse leven in Wuppertal werd beheerst door terreur.

Mijn vader was ruim een week tevoren op brute wijze weggesleept van zijn werk en zonder bagage op transport gezet naar zijn geboorteland Polen. Op het moment van zijn arrestatie zat ik met een tiental kinderen voor de laatste keer in de synagoge op joodse les. Moeder was compleet overstuur. Zij sleepte mij weg in een vergeefse poging toch nog afscheid van vader te mogen nemen. Wij renden naar de angstaanjagende dependance van het gevreesde Polizeipresidium in het centrum van Wuppertal. In de vele bolwerken van Himmler werkten verbeten nazi’s en hun handlangers hun gruwelijke plannen uit. Criminelen kregen in deze centra vaak erebaantjes. Voor de dubbele ijzeren hekken van het Presidium bevonden zich ruim honderd huilende en gillende vrouwen en kinderen, die poogden achter de spijlen nog een glimp van hun geliefden op te vangen.

Vlucht Een week na de Kristallnacht vluchtte ik naar Nederland. Odd Fellows hielpen hierbij. De verschrikkingen van oktober en november werden voor mij het begin van een zeven jaar lange scheiding van mijn ouders en van een zwerftocht, deels incognito, langs veertien pleeggezinnen. Een week voor de Duitse inval in Polen in 1939 wist vader op wonderbaarlijke wijze uit Polen te ontsnappen.

Na lange en wel zeer bijzondere identiteitswisselingen en omzwervingen werd ons gezin na de bevrijding herenigd.

Afscheidsgeschenk Mijn vrome en erudiete grootvader gaf mij in 1937 als cadeau een Poolse sidoer (joods gebedenboek). De gebeden erin worden ingeleid door Jiddische teksten, zoals ‘As men kummt uf vom Schluffen sugt men dus….’ (als je ontwaakt na je slaap zeg je dit: …) In prachtig Hebreeuws schreef opa een opdracht in dit gebedenboek: ‘Wijd je leven aan jodendom en religie en geef deze boodschap door aan je kinderen en kindskinderen’. Tot op de dag van vandaag koester ik dit boek.

Voorbereidingen Het systematisch treiteren van joden ving al aan bij Hitlers machtovername in 1933. Mijn vader runde een klein maar bloeiend confectiebedrijf in Wuppertal. Tot 1936 was er nog het jaarlijkse uitstapje met zijn niet-joodse personeelsleden, waarmee vader een voortreffelijke relatie had opgebouwd en bevriend was geraakt. Zijn zaak werd echter geleidelijk aan geplunderd. Het nazi-gepeupel bezat namelijk over de joodse bevolking zakboekjes met namen, adressen en beroepen. Het was ‘bon ton’ bij nazi’s om bestellingen bij joden te plaatsen, de goederen af te nemen en die vervolgens niet te betalen.

In mijn prille kinderjaren werd ik door de Hitlerjeugd een paar keer gemolesteerd en daarbij opgesloten in een donkere kelder. Mijn vader werd verschillende malen op straat aangevallen door bruinhemden. Door volwassen buren werd ik uitgescholden met ‘Jud verrekke’. Een van hen pakte mijn speelgoed af en fluimde mij in het gezicht.

Kindervriend Te stellen dat alle Duitsers zich verlaagden tot beestachtigheden is echter veel te simpel. Soms brak er een greintje menselijkheid door en werd er in het grootste geheim geholpen. Men was namelijk extreem bang voor verraad door buren, zakenrelaties of zelfs eigen familieleden. Ik had de twijfelachtige eer in 1937 mijn eerste schooljaar incognito op een afgelegen rooms-katholieke school door te brengen. Om te worden bespot mochten joodse kinderen vaak nog vrij lang scholen bezoeken. Op mijn school werd ik niet gepest, want de leiding hield mijn joodse identiteit geheim. Wat ik op deze school wel zeer verwarrend vond, was het begin van iedere schooldag. Aan de wand voor in de klas hing naast een kruisbeeld een groot portret van Hitler als kindervriend. Als de onderwijzer de klas binnenkwam, moesten wij opspringen, met de hakken klikken en de Hitlergroet brengen. Als we daarna weer in onze bank zaten, moesten we een kruisje slaan en een gebed uitspreken waarin Jezus en Hitler als ‘heiland’ werden opgevoerd. Mijn ouders wisten dit niet en waren geschokt toen ik hen dat veel later vertelde.

Wolfgang Kotek is een gepensioneerde arts en woont in Rotterdam.