Onnodig grievend: wat is dat?

Het is een goede zaak dat de strafbaarstelling van godslastering is geschrapt, vindt Rob Wijnberg. Maar een verbod op „onnodig grievend” beledigen is juridisch ook onhoudbaar.

Niet alleen in de Verenigde Staten wordt dezer dagen geschiedenis geschreven. Ook in Nederland is afgelopen week historische politieke vooruitgang geboekt, die een jaar geleden nog voor onmogelijk zou zijn gehouden. Toen was immers nog een ruime meerderheid in de Tweede Kamer tegen het schrappen van de strafbaarstelling van godslastering.

Dat de wet, die stamt uit 1932 en al sinds het Ezeltjesproces tegen Gerard Reve in 1968 een dode letter is, nu uitgerekend door CDA-minister Ernst Hirsch Ballin (Justitie) uit het Wetboek van Strafrecht wordt gehaald, mag des te opvallender worden genoemd, omdat juist deze minister zich eerder nog zo expliciet voorstander van de wet had getoond. Hirsch Ballin was zelfs een van de weinigen die begrip kon opbrengen voor de arrestatie van cartoonist Gregorius Nekschot vanwege het ‘beledigen van moslims’.

De meeste argumenten voor het schrappen van de wet (het is een dode letter, belediging is niet aantoonbaar, God ‘lasteren’ is onmogelijk) zijn inmiddels zo vaak gehoord, dat ze nauwelijks nog toelichting behoeven. Maar één argument verdient het hier te worden herhaald: met de strafbaarstelling van godslastering was rechtsongelijkheid in de wet verankerd. De wet maakte immers onderscheid tussen de opvattingen en gevoelens van ‘gelovigen’ en ‘niet-gelovigen’ en gaf eerstgenoemde voorrang; ‘gelovigen’ konden op meer wettelijke bescherming van hun opvattingen en gevoelens rekenen dan ‘niet-gelovigen’. Dat onderscheid was juridisch onhoudbaar, omdat ze haaks stond op het in de Grondwet gegarandeerde recht op gelijke behandeling.

Het onderscheid was bovendien ook filosofisch onhoudbaar: ‘niet-gelovige mensen’ bestáán helemaal niet. Ieder mens heeft principes en opvattingen die hij voor waar houdt; ieder mens gelooft dus ergens in. Christenen geloven in God, moslims in Allah; liberalen in vrijheid, socialisten in gelijkheid; progressieven in vooruitgang, conservatieven in traditie; empiristen in waarneming; idealisten in ideeën; holisten in alles; nihilisten in niks – en de meeste mensen geloven in duizend-en-een bij elkaar geraapte (en vaak tegenstrijdige) opvattingen tegelijk.

Dat we aan het ene stelsel opvattingen het predicaat ‘religieus’ toedichten en aan andere niet, is niets meer dan een historische toevalligheid, waar geen enkel rationeel criterium voor bestaat. Moet bijvoorbeeld de opvatting dat homoseksualiteit onnatuurlijk is, worden beschouwd als christelijk, islamitisch of darwinistisch? Is die opvatting dus ‘religieus’ als een imam het zegt en ‘niet-religieus’ als het uit de mond komt van een bioloog? En verdient de persoon die zichzelf en zijn wereldbeeld ‘religieus’ noemt om die reden meer wettelijke bescherming?

Het antwoord is natuurlijk: nee. Voor de wet zouden alle opvattingen gelijk moeten zijn; geen enkel wereldbeeld verdient voorrang of uitsluiting. Het lijkt daarom ook een passende maatregel dat minister Hirsch Ballin ter compensatie van de geschrapte godslasteringswet de strafbaarstelling van discriminatie juist wil aanscherpen, zodat „ernstige beledigingen tegen een groep mensen, zonder dat deze expliciet wordt genoemd” vervolgd kunnen worden. Van rechtsongelijkheid is dan namelijk geen sprake meer: iedere groep kan zich met die wet tegen beledigingen verweren. Maar daarin schuilt juist ook een groot probleem. Want op die manier kan ook iedere kritiek als belediging worden aangemerkt en het zwijgen worden opgelegd.

Immers, mensen zijn ‘beledigd’ of ‘gegriefd’ wanneer ze zich persoonlijk aangevallen voelen; wanneer ze zich aangetast voelen in hun identiteit. Zo kan kritiek op de islam (‘Mohammed is een tiran’) voor een moslim beledigend zijn, omdat het niet alleen wordt opgevat als kritiek op ‘de religie’, maar ook als kritiek op hem als persoon; zijn identiteit wordt immers bepaald door die religie. Dit geldt echter voor alle mensen – iedereen ontleent zijn identiteit aan de opvattingen die hij heeft. Wie gelooft in de islam, definieert zichzelf als moslim, wie gelooft in het christendom, ziet zichzelf als christen, wie gelooft in het humanisme, is humanist, etcetera. Iedere kritiek op ieder wereldbeeld kan dus als ‘grievend’ worden ervaren; er wordt dan immers getornd aan iemands identiteit. Wie bijvoorbeeld zegt dat de vrijheid van meningsuiting een gotspe is, grieft liberalen in potentie evenzeer als iemand die mogelijkerwijs moslims kwetst door Mohammed een tiran te noemen. Strafbaarstelling van belediging van alle groepen mensen kan dus twee gevolgen hebben: of het wordt erg druk bij de rechtbank, of het wordt erg stil in het debat.

Het verweer van minister Hirsch Ballin hiertegen is dat uitspraken slechts strafbaar zijn, wanneer ze „onnodig grievend” zijn. Een scherpe toon van cabaretiers en journalisten, of uitspraken met een „politieke boodschap” zouden niet strafwaardig zijn, omdat ze een functie hebben; ze zijn niet ‘onnodig’ beledigend. Maar wie bepaalt of een uitlating functioneel is of niet? En op grond waarvan? Was bijvoorbeeld Fitna ‘onnodig grievend’? Volgens onze eigen premier wel: de boodschap van de film diende „geen enkel ander doel dan het kwetsen van gevoelens”, aldus Balkenende. Maar Geert Wilders zal daar toch echt anders over denken; voor hem is de boodschap van de film zelfs de bestaansreden van zijn partij. Een rechter laten bepalen wie hier ‘gelijk’ heeft, is onwenselijk én onmogelijk – er bestaat geen criterium voor.

De term ‘belediging’ zou dus geen juridische status mogen hebben. Niet alleen omdat onmogelijk vast te stellen is wat beledigend is en wat niet, maar vooral omdat beledigingen inherent zijn aan het hebben van meningsverschillen; beledigd-zijn is onvermijdelijk in een publiek debat. Dat is de prijs die we nu eenmaal betalen voor het leven in een vrije samenleving. En wie dat een te hoge prijs noemt, vind ik onnodig grievend.

Rob Wijnberg is columnist van nrc.next