'Mijn viool is niet van glas'

De Britse violist Daniel Hope (1974) speelt Vivaldi en Mendelssohn, maar ook raga’s en jazz. Donderdag is hij te horen op het India Festival in Amsterdam.

Stel dat Eleanor Klein-Hope in 1975 was ingegaan op het aanbod van haar uitzendbureau en als secretaresse had gesolliciteerd bij de Aartsbisschop van Canterbury. Dan was ze in diezelfde week niet de persoonlijk assistente van violist Yehudi Menuhin geworden. Waarop haar zoon Daniel zonder Menuhins voorbeeld was opgegroeid, en misschien priester was geworden in plaats van musicus. „Maar ik denk graag dat ik sowieso violist was geworden”, reageert Hope in zijn hotelkamer in Bremen, in afwachting van een optreden op tv-zender Nord 3. „En priester... misschien sowieso maar niet.”

Daniel Hope is een van de weinige musici met een platencontract bij het exclusieve label Deutsche Grammophon. Jaarlijks mag hij er één cd uitbrengen. Naar keuze – al strookt de tot nog toe gemaakte, bedaagde keuze voor Mendelssohn en Vivaldi niet met de ambitieuze combinaties die hij eerder en voor andere labels maakte. Cd’s met een mix van Schnittke, Weill en Takemitsu, of met muziek van de vergeten componist John Foulds. Op de cd East meets West wisselen stukken van Maurice Ravel en sitarvirtuoos Ravi Shankar elkaar af. „Uiteindelijk gaat het om muziek, om alle goede muziek”, zegt Hope. „Op dit moment grijp ik de zeldzame kans de grote repertoirestukken, die je als violist toch óók graag wilt spelen, op te nemen voor een groot label.”

Hope, 34, is representant van een nieuwe generatie musici. Instrumentalisten met een klassieke scholing én succes in hun vak, maar die hun spectrum niet willen beperken tot de klassieke westerse canon. Tussen medestanders als Benjamin Schmid en Joshua Bell en oudere trendsetters als Gidon Kremer en Nigel Kennedy is Hope het sprekendste voorbeeld. Als laatste en vijfde primarius van het legendarische, in 1955 gestichte Beaux Arts Trio van pianist Menahem Pressler, speelde hij tussen 2002 en afgelopen zomer het klassieke trio-repertoire. Edgar Meyer maakte hem wegwijs in de bluegrass. Met Stewart Copland, drummer van The Police, speelde hij rock. Jazzviolist Stephane Grappelli imiteerde hij van kindsbeen af. En de Indiase sitarspeler Gaurav Mazumdar kwam voor Hope naar Londen om hem ook in de Indiase muziek te kneden. „Bij het spelen ervaar ik hetzelfde enthousiasme, dezelfde intensiteit van emotie – in welk muzikaal genre ook”, zegt hij. „Maar dat wil niet zeggen dat alle muziek ook gelijkwaardig is. Popmuziek is als bier of champagne; fonkelend, enthousiasmerend, kort houdbaar. Klassiek is als goede wijn; rijpend, houdbaar. De enige leidraad die ik volg is mijn persoonlijke smaak. Ik wil niet alleen de duurste wijn drinken.”

Hopes brede oriëntatie beperkt zich niet tot de muziek, al is die naar zijn eigen zeggen wel „het zaad dat alles voedt”. Hij maakt af en toe tv-programma’s voor de BBC; het laatste gewijd aan het vioolconcert van James MacMillan dat hij toen zelf net had uitgevoerd. Ook werkt hij mee aan het project Yellow Lounge, dat Deutsche Grammophon is gestart om een nieuw, jong publiek in contact te brengen met klassieke muziek die in clubs wordt uitgevoerd, en terplekke wordt ‘gepimpt’ door vj’s en dj’s.

Afgelopen jaar verscheen ook Hopes eerste boek, Familienstücke, waarin hij herinneringen aan zijn jeugd in het huis van violist Yehudi Menuhin afwisselt met zijn eigen familiesaga. Dat Familienstücke in het Duits verscheen, is veelzeggend. Hopes wortels omvatten in een paar generaties zowel industrieel Duitsland (overgrootvader) als de Boerenoorlog in Zuid-Afrika (opa van vaderszijde), gevolgd door Holocaust en apartheid. Hope zelf werd in 1974 nog geboren in Zuid-Afrika. Maar toen de debuutroman van zijn vader Christopher Hope – een komische satire op het apartheidsysteem – in de ban werd gedaan, verhuisde het gezin naar Londen.

Voor Hope, toen 7, begon zijn leven met muziek daar. Of beter: op het moment dat zijn moeder ging werken voor Yehudi Menuhin. „Wij groeiden op tussen de muziek; mijn vroegste herinneringen zijn aan zijn huis in Highgate”, vertelt Hope. „De ene avond zat Ravi Shankar daar op de grond zijn duizelingwekkende solo’s te spelen. De avond erna hoorde je Grappelli ondanks de gestadige inname van glazen whisky urenlang loepzuiver doorspelen. Natuurlijk heeft die jeugd me getekend.”

De keerzijde was dat Menuhin toch de baas van zijn moeder was. „Ik was geobsedeerd door de viool, maar Menuhin bleef lang sceptisch.” Pas toen Hope op zijn zestiende les kreeg van Zakhar Bron, ook de leraar van Maxim Vengerov en Vadim Repin, werd Menuhins belangstelling geprikkeld. „Ik heb toen drie uur lang voor hem voorgespeeld. Na afloop omarmde hij me en zei: „Sorry, ik had geen idee.” Achteraf is Hope blij dat hij niet al jong in Menuhins cirkel werd opgenomen, zegt hij. „Een gewone jeugd – school, lol, verliefdheden – heeft zijn voordelen. Ik kon kiezen. Muziek is belangrijk voor me, maar ik ben niet monomaan.”

Dat is ook de reden dat hij al twaalf jaar geleden acteur Klaus Maria Brandauer opbelde. Brandauer accepteerde Hopes idee samen Stravinsky’s L’histoire du Soldat, gecomponeerd voor zeven instrumentalisten en drie acteurs, uit te voeren. Mits hij álle rollen mocht spelen, en Hope alle noten. Het succes van die voorstelling werd voorgezet in meer ‘theaterconcerten’.

„Wat mij steeds weer opvalt is dat mensen graag een meerwaarde aan muziek zien toegevoegd; iets visueels, theatraals of literairs”, zegt Hope. „Je merkt het al wanneer een dirigent zich omdraait en iets vertelt over het te spelen werk. De toegevoegde laag maakt de beleving minder abstract, waardoor het publiek directer en warmer reageert.” Broodnodig, denkt hij. „Mijn vrienden – dertigers – kwamen eindelijk met plezier naar me luisteren. Voor de generatie na de mijne is klassieke muziek nóg minder vanzelfsprekend. Het publiek van nu en de toekomst komt niet meer vanzelf.”

De brede koers die Hope vaart met als doel zoveel mogelijk mensen „voor de meerwaarde, nee: kick van concerten te winnen”, heeft verschillende kanten. Imponerend is het programma waarmee hij dit weekend in Berlijn de herdenking van zeventig jaar Kristallnacht muzikaal omkleedt, bijgestaan door acteurs Brandauer en Judy Dench (zij dragen teksten voor), bariton Thomas Quasthoff, pianisten Hélène Grimaud en Menahem Pressler. Sympathiek is het initiatief Rhapsody in School waaraan Hope deelneemt en dat musici die in Duitsland zijn voor concerten vraagt óók een dagdeel te spenderen op een school. „Om te spelen en te vertellen over de muziek. Zelf laat ik de kinderen desgewenst ook mijn viool bespelen. Waarom niet? Het is een kostbaar instrument, maar het is van hout, niet van glas. Het is niet moeilijk kinderen te enthousiasmeren. Maar het moet wel gebeuren.”

In zijn spel hoor je Hopes aanstekelijke, wijdvertakte enthousiasme terug. Luister naar zijn interpretatie van Mendelssohn Vioolconcert en je hóórt dat hij ook jazz speelt. De fraseringen zijn vrij, haast improvisatorisch. Datzelfde geldt voor zijn pas verschenen opname met vioolconcerten van Vivaldi; die zijn zonder reserve beeldend, prikkelend en glanzend gespeeld. Maar je vraagt je ook af hoe vrij een interpretatie eigenlijk kan zijn.

Hope fronst. „Ik vind het prettig dat mijn klank voortdurend wordt geconfronteerd met nieuwe impulsen, en zich dus blijft ontwikkelen.” Dat zijn interpretaties van barokmuziek sterk zijn beïnvloed door het leren spelen van Indiase muziek, erkent hij grif. „Verrijkt, verbeterd – vind ik. Als klassiek violist ben ik opgeleid in de Russische school. Nog steeds krijg ik kippenvel als ik David Oistrakh hoor spelen. Het drama, de show – ongeëvenaard. Maar ik ben blij dat ik heb ontdekt dat er meer mogelijk is dan die grote, sappige, vibratorijke klank. Anderen zijn diep gelukkig in één genre, ik ben het als generalist.”

Concert op 13/11 Concertgebouw, Amsterdam. Inl.: www.danielhope.com