Mark Kurlansky

De Amerikanen die dominee Martin Luther King nog in levende lijve meemaakten, huilden dinsdagavond toen ze in afwachting waren van de eerste speech van president-elect Barack Obama in Chicago. Voor Jesse Jackson en zijn leeftijdgenoten is 2008 het finale antwoord op 1968. Want voor hen was 1968 ook ‘the year that rocked the world’, zoals de ondertitel luidt van de vermakelijke, leerzame en inspirerende geschiedenis die de historicus Mark Kurlansky over 1968 (Anthos, € 29,95) schreef.

Alles bewoog, veertig jaar geleden. Ook in de VS. In Memphis werd Martin Luther King vermoord, de leider van de geweldloze burgerrechtenbeweging die streed tegen de feitelijke apartheid die het land toen nog her en der kende. De dader was een doorgedraaide racist. In Los Angeles werd Robert Kennedy, de Democratische hoop in de bange dagen van de Vietnamoorlog, doodgeschoten nadat hij de voorverkiezingen in Californië had gewonnen. En in Chicago ontaardde de Conventie van de Democratische Partij in een matpartij, waarbij de oproerpolitie iedereen in elkaar sloeg of oppakte, inclusief gedelegeerden zelf.

En toch was 1968 ook een jaar van hoop: de hoop dat een nieuwe, naoorlogse generatie voor verandering kon zorgen. In 1968 zongen The Beatles hun Revolution en The Rolling Stones over de Street Fighting Man. Nu klinkt het ‘Yes, we can’ en zingt rapper Will.i.am We are the ones. En er is nog een parallel. De burgemeester van Chicago die in 1968 de betogers het ziekenhuis in liet knuppelen, heette Richard Daley en was 66 jaar oud. De burgemeester die afgelopen dinsdag Grant Park beschikbaar stelde voor de rede van Obama heet Richard Daley en is ook 66 jaar.

Vader en zoon. Is dat de enige parallel? En moeten we blij zijn met die andere analogieën tussen 1968 en 2008?

Het boek 1968. Het jaar dat alles anders werd is een heerlijke bron, zowel om bij te mijmeren als om angstvisioenen op te wekken. Want in 1968 ging het om iets meer dan, al dan niet gevaarlijke, gekkigheid.

Natuurlijk was er ook ordinair eigenbelang in het spel, het eigenbelang van vrije seks en softe drugs bijvoorbeeld. Maar het draaide ook om verhevener vormen van bevrijding. Om ‘socialisme met een menselijk gezicht’ in Tsjechoslowakije. Om een eervolle vrede in Vietnam. Exact deze voorbeelden zouden somber kunnen stemmen. Want de hoopvolle Praagse lente werd in augustus 1968 gesmoord door tanks uit de Sovjet-Unie. En de oorlog in Vietnam zou nog zeven jaar doorgaan.

Maar er is één reden om de moed nog niet op te geven. Veertig jaar geleden koos het Amerikaanse volk de oudgediende Richard Nixon tot president. De keuze van dit jaar spoort meer met de uitspraak van de Tsjechoslowaakse communistische partijleider Alexander Dubcek uit 1968: „Het volk was ontevreden over de partijleiding. We konden het volk niet veranderen, dus veranderden we de leiders.”

Hubert Smeets