Levenslang in de draaimolen

Na een ‘roman fleuve’ over een Vlaamse familie komt Erik Vlaminck met een nieuwe tragikomedie. ‘Suikerspin’ draait om een siamese tweeling die begin vorige eeuw op de kermis werd geëxploiteerd.

Erik Vlaminck: Suikerspin. Wereldbibliotheek, 286 blz. € 17,50

Lang voordat Dimitri Verhulst uitgroeide tot de rauwgevooisde stem van het Vlaamse platteland was er al Erik Vlaminck. Vijftien jaar werkte de geboren Kapellenaar aan een cyclus van zes bescheiden autobiografische romans die tezamen een beeld geven van een Vlaamse familie in de 20ste eeuw. Zijn titels waren soms weinig wervend (Quatertemperdagen, Het schismatieke schrijven), maar de emotionele lading van zijn verhalen over armoede, oorlog, collaboratie en stadsvernieuwing was groot, en Vlamincks weemoedige en humoristische stijl maakten zijn titelloze roman fleuve tot een hoogtepunt van de recente Belgische literatuur.

De spreektaal, de weemoed en de humor zijn gebleven in Vlamincks nieuwe roman Suikerspin, die veel van de kenmerken van zijn eerdere werk ontbeert. De wereldoorlogen en de koloniale uitspattingen spelen er maar terloops een rol in, terwijl er ook geen raakpunten zijn met Vlamincks leven als psychiatrisch verpleger en telg uit een geslacht van schipperende krabbelaars uit Noord-Antwerpen. Bij wijze van knipoog laat de auteur zichzelf nog wél een paar keer in Suikerspin optreden, als de ‘schrijvermans’ met grijs Beatlehaar die een van de personages achtervolgt met het verzoek om mee te werken aan een boek over diens verdorven grootvader.

‘Mijn vrouw zegt dat ze niet kan begrijpen dat een mens met zo weinig fantasie als ik toch boeken kan schrijven’, zegt Vlamincks alter ego tegen deze Arthur Van Hooylandt, wanneer hij hem probeert mee te tronen naar een archief waarin alleen naaste familie mag neuzen. En wij als lezer zouden dus kunnen denken dat ‘schrijvermans’ het spectaculaire verhaal dat in Suikerspin wordt verteld op feiten heeft gebaseerd. Want spectaculair ís ze, de historie van het geslacht Van Hooylandt dat sinds het einde van de 19de eeuw op de kermis staat. En waarvan de aartsvader, Jean-Baptiste, furore maakt met een ‘fenomenenkraam’ waarin hij niet alleen zijn eigen gehandicapte broertje (als zeemonster!) tentoonstelt, maar ook een siamese tweeling.

Om die tweeling, de bedachtzame en aandoenlijke Joséphine en de achterlijke Anastasie, draait het aanvankelijk in Suikerspin. Korte hoofdstukken, geschreven in een zakelijke, historiserende stijl, beschrijven de geboorte en jeugd van dit ‘phénomène extraordinaire’ (moeder in het kraambed gestorven, verhuizing naar een gesticht, pleegouders emigreren naar Zuid-Amerika) en vertellen hoe de tweeling door slinkse manoeuvres van de kermisexploitant Van Hooylandt ‘op d’n foor’ terechtkomt. Een tragisch leven dat alleen onderbroken wordt door een kort verblijf bij de kermisvrouw Anna, die in menslievendheid en zelfopoffering doet denken aan de titelheldin van Vlamincks prachtige novelle Angélique (2003).

Dat het 19de-, vroeg-20ste-eeuwse relaas geen moment saai wordt, komt doordat Vlaminck het doorsnijdt met de monologen van twee nazaten van Jean-Baptiste Van Hooylandt: zijn kleinzoon Arthur, die zijn leven lang als draaimolenexploitant heeft gewerkt, en zijn achterkleinzoon Tony, een onderwijzer die plotseling verlaten is door zijn vrouw en bovendien moet toezien hoe zijn alleenstaande vader steeds meer doordraait. Vooral Arthur, een uit de klei getrokken Vlaming, is een verbluffend spreker, die in zijn uitvallen naar politici en vrouwen poëtische hoogten bereikt: ‘Wijven zijn crapuleuze serpenten […] in hun ogen ben ik een barakkenvent en barakkenventen worden niet met briefjes betaald want barakkenventen stammen rechtstreeks af van apen en gorilla’s […] Ze zullen mij ook nooit in mijn ogen kijken want ze denken dat ze daar ziektes of ander ongemak van kunnen krijgen. Het is wat het is en het zal altijd zo blijven.’

Waar Arthurs woede en frustratie vandaan komen, wordt gaandeweg het verhaal duidelijk. Hij mag dan niet zo slecht zijn als zijn grootvader, hij heeft wel wat lijken in de kast, en Vlaminck laat die er op een subtiele manier uit tuimelen. Wat niet wegneemt dat Arthur toch sympathiek blijft. Misschien is hij wel meer slachtoffer dan dader, zelfs wanneer hij zich laat verleiden door de vrouw van zijn zoon: ‘Het spreekwoord zegt dat een oude schuur met grote vlammen brandt. Het spreekwoord heeft gelijk. Zeker als die schuur in brand wordt gestoken door een pront jong wijf dat voorzien is van alle opties.’

Net als Dimitri Verhulst (en eerder Hugo Claus en Louis Paul Boon) is Erik Vlaminck een meester in het weergeven van de Vlaamse spreektaal. Dat tilt Suikerspin uit boven het genre van de streekroman, en geeft de personages – losers zonder uitzondering – een soort heroïek. Hoe verlopen ze ook zijn geëindigd, ze kunnen prachtig praten over de tijd dat ze jong en onbedorven waren en nog wilde dromen hadden. En hoe gewetenloos ze soms overkomen, we zijn geneigd het hun te vergeven omdat ze het zo mooi kunnen verwoorden.

Suikerspin – de titel is een verwijzing naar het product dat Arthur ooit nog hoopt te gaan verkopen – is niet alleen een gruwelijk verhaal over de uitbuiting van wat eens freaks of nature heetten, maar ook de geschiedenis van een disfunctionele familie. Daarmee ligt de roman in het verlengde van de grote cyclus die Vlaminck tussen 1992 en 2005 publiceerde, te meer daar in de nagekomen novelle Anastasia (2005) de siamese tweeling uit Suikerspin ook al een bijrol speelde. Dat de familie Van Hooylandt de kost verdient op de kermis in plaats van op het boerenland maakt Suikerspin des te interessanter; Vlamincks model is dit keer eerder Boons Kapellekensbaan dan Claus’ Verdriet van België geweest. Het maakt de nieuwe roman bepaald niet minder sterk. Om met Arthur Van Hooylandt af te sluiten: ‘Het heeft in de gazet gestaan en ik zeg het gelijk het is.’