Kwispelende lijven die gekmakend verlangen bevredigen

Vrouw, vlees, drang. Dat waren de woorden die de Vlaamse choreografe Ann van den Broek inspireerden tot de voorstelling Co(te)lette. Het leverde haar de Zwaan op, de prijs voor de beste dansproductie van het vorige theaterseizoen. Momenteel reist de voorstelling, nog even, door het land als onderdeel van het combinatieprogramma Dansclick, waarmee de hedendaagse dans wordt gepromoot.

Waar drie woorden toe kunnen leiden: koket kwispelen gaat langzaam over in een nijdig heen en weer slingeren van de heupen, amechtig repetitief stoten met het bekken, meedogenloos kastijden van het lichaam en telkens weer schuren, schokken en sidderen, al dan niet met wijd gespreide benen, klaarblijkelijk met de bedoeling een gekmakend verlangen te bevredigen. Wat nooit lukt.

Door die bijna pijnlijke lichamelijkheid kan het idee dat we hier te maken hebben met Drie Gratiën vrijwel meteen terzijde worden geschoven. Volgt een langzaam opborrelende kriebellach, die halverwege de keel blijft steken en overgaat in een gevoel van deernis en tragiek. Na afloop deint de voorstelling nog lang in het lichaam na.

Dat naast die drie woorden het onconventionele liefdesleven van de schrijfster Colette een inspiratiebron was voor Van den Broek, is interessant als extra informatie, maar niet noodzakelijk om de betekenis van het stuk te vatten. En is dat niet het hoogst bereikbare? Dans is toch in zijn diepste wezen, voor zowel uitvoerende als kijker, een intuïtieve ervaring, een primair lichamelijk in-, na- en meevoelen? Als dat aanwezig is, kan zelfs een choreografie die als geheel niet geslaagd is – te lang, te vormeloos, te weinig gevarieerd – de moeite waard zijn. Het van fysieke drang ver buiten zijn oevers tredende Honey Crypto van Kenzo Kusuda, vorige week in het CaDance festival, is wat dat betreft een goed voorbeeld.

Bij het weerzien met [purgatorio] Popopera van Emio Greco en Pieter Scholten, gemaakt voor het Holland Festival en nu op tournee, blijkt dat hier het effect precies omgekeerd is. De achterliggende ideeënwereld, waarin religieuze, muziek-, literatuur-, circus- en theaterhistorische noties op duizelingwekkende wijze met elkaar worden verbonden, lijkt vooral te dienen om een danskunstig niet bijster interessante voorstelling op te waarderen. Overigens wel met respect voor de uitstekende dansers.

Er is niets tegen een intellectuele en conceptuele benadering, maar als de artistieke zeggingskracht alleen op papier bestaat, begint er iets te knagen. Juist bij Greco en Scholten. Zij zijn immers uitgesproken pleitbezorgers van ‘een danstaal die teruggaat tot de innerlijke noodzaak van het dansende lichaam, een innerlijk besef van tijd en ruimte dat in het diepe geheugen van het lichaam ligt opgeslagen’. Helemaal mee eens, en hoera voor choreografen die pal staan achter hun discipline als volwaardige kunstvorm. Dansmakers ook die unverfroren acteurs en operazangers hebben onderworpen aan hun wil en visie, die debat en theorievorming willen stimuleren – applaus! Maar wat is er gebeurd met de dwingende ervaring van de vroege solo’s van Greco, waar blijft, bij alle pretenties, de ontwikkeling van het eigen dansidioom? Als daar geen beweging meer in zit, is al het andere ijdele franje.