Kinderspel blijkt oude intelligentietest

Frits Boer was verrast toen hij ontdekte dat hij, in plaats van een aardig kinderspel, een test voor jonge criminelen uit 1918 had aangeschaft.

Van de enorme verrassing die hem een paar dagen later wachtte, had Frits Boer, hoogleraar kinderpsychiatrie in Amsterdam, nog geen idee toen hij op de zondagse rommelmarkt in Spa een charmant ouderwets kinderspelletje kocht. Onder de 19de-eeuwse gietijzeren promenade bij het kuuroord in de Belgische Ardennen slenterde hij met zijn vrouw langs de uitstallingen met curiosa en bric-à-brac.

Op een van de tafels lagen, tussen allerhande oud speelgoed, twee paneeltjes met Rie Cramer-achtige tekeningen waarin wat vierkantjes waren uitgezaagd. In een sigarenkistje zaten blokjes met daarop getekende voorwerpen. Die moesten natuurlijk in de open vierkantjes. De vrouw die het verkocht wist niet precies wat voor spelletje het was, maar Frits Boer kocht het om er met zijn kleinkinderen mee te spelen. Hij zou er wel een verhaaltje bij bedenken en dan had hij ze tenminste weer even af van de televisie of de gameboy. Als student schreef hij al over pubermisère in de Hitweek-rubriek ‘Dag dokter’ en maakte ooit furore als popjournalist.

Terug in Amsterdam keek Boer eens beter naar de aankoop en dat bezorgde hem een schok. Op een van de twee paneeltjes stond in kleine lettertjes ‘Copyright 1918 Judge Baker Foundation’. Parbleu, dat was de stichting die in Boston in 1917 zich ging bezighouden met de psychiatrische behandeling van jonge delinquenten! Harvey Humphrey Baker was kinderrechter in Boston die tot zijn dood in 1915 had getracht kinderen niet alleen te straffen maar ook weer op het rechte spoor te helpen.

Professor Boer kende die historie. Voor een boek over zijn vakgebied had hij dit voorjaar een artikel geschreven over onder andere de komst van de Medisch-opvoedkundige Bureaus (MOB’s) in Nederland sinds 1929. De Judge Baker Foundation was een voorbeeld daarvoor geweest.

Hoe pasten die paneeltjes en de blokjes hierin? Eén uurtje googelen en Boer had het hele verhaal rond. De paneeltjes vormden de eerste non-verbale intelligentietest, ontwikkeld in 1917 door de Amerikaanse psychiater William Healy, die als oprichter van de Judge Baker Foundation de psychoanalyse naar antisociale en delinquente jongeren bracht. Plaatjes, ontdekte Healy, zijn een veel eenduidiger en toegankelijker testmiddel dan niveau-afhankelijke en arbitraire taal.

In een uitvoerig vakbladartikel (alsjeblieft, zei Google) doet Healy in 1921 glunderend uit de doeken hoe zijn test werkt (zelfs in het leger) en hoe die ook buiten de VS al dankbaar is gebruikt. Tien plaatjes tonen het verloop van een dag in het leven van een jongen: zijn ontbijt, wandeling naar school, in zijn klas, spelend op straat tot aan ’s avonds weer thuis. In iedere scène moet in het uitgezaagde vierkantje een blokje komen met het meest plausibele voorwerp. Een elfde plaatje dient als voorbeeld: zich aankledend bukt het ventje naar, ja, naar wat? De begeleider helpt met vier opties: drie soorten schoenen en een stropdasje. Maar zijn dasje heeft de knul al om en aan zijn linkervoet zit al een hoge schoen. Dus moet de hoge rechterschoen in het vakje. Bingo, vijf punten! Nu moet de geteste alleen verder. Wat valt er uit de schooltas? Niet een kikker, niet een bal, maar een boek.

Nog struikelt Boer over zijn woorden van enthousiasme over zijn gevonden schat. „Het moet een Belgische psycholoog zijn geweest die de test heeft gebruikt want tussen de blokjes heb ik een Belgische vlag gevonden. De verkoopster heeft een brocantezaak in Brussel, dus ze zal dit hebben binnengekregen met de boedel van een overleden psycholoog.”

Eind september vierde de sectie Kinder- en Jeugdpsychiatrie van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie in Utrecht haar zestigjarig bestaan en daar verscheen ook het boek met Boers bijdrage. „Ja, jammer, dat ik de test toen nog niet had gevonden”, zegt hij, „het had leuk in het verhaal gepast.”