Het 'succes' in Irak bekeken vanuit Washington

Bob Woodward: The War Within. A Secret White House History, 2006-2008. Simon & Schuster, 487 blz. € 25,–

De surge, het sturen van 30.000 extra Amerikaanse soldaten naar Irak in 2007, geldt als een humanitair-militair succes, maar heeft in een ander opzicht nadrukkelijk gefaald. John McCain heeft geprobeerd er hét campagnethema van te maken. In de zomer van 2007 lanceerde McCain op voorspraak van zijn campagnestrateeg Steve Schmidt de No Surrender Tour, waarin hij het succes van de surge tot inzet maakte van de verkiezingen.

Volgens een klassiek Republikeins scenario werd Barack Obama weggezet als een landverrader. Diens voornemen om het Amerikaanse leger uit Irak terug te trekken was weliswaar populair bij de bevolking, maar zou het succes van de surge ondermijnen. Obama, aldus McCain, ‘wil liever de oorlog verliezen dan de verkiezingscampagne’. Hij zou, met andere woorden, een ‘defeatist’ zijn, iemand die zijn land opoffert voor persoonlijk gewin. Naïef was hij ook, volgens McCains campagneleider Rick Davis. Zonder de surge zouden we volgens Davis nu ‘Armageddon in het Midden Oosten hebben gehad’.

De aanvallen van het Republikeinse kamp hebben niet gewerkt. Dat kwam door de implosie van Wall Street en de dreigende economische recessie, maar ook door het onderwerp zelf. Ondanks het succes van de surge blijft een ruime meerderheid van de Amerikaanse bevolking van mening dat Amerika in Irak niets te zoeken had en heeft. McCain, een van de aanjagers van die oorlog, had tijdens de campagne dus meer uit te leggen dan Obama.

De geschiedenis van de surge is het onderwerp van het boeiende boek van journalist Bob Woodward van de Washington Post, zijn vierde en laatste over de oorlogen in Afghanistan en Irak van president Bush. De titel is veelzeggend: Woodward concentreert zich niet op het oorlogstheater in Irak, maar op de mannen en vrouwen in Washington die de gewijzigde strategie in Irak voorbereidden en uitvoerden. Het is een adembenemend verhaal, met helden als generaal buiten dienst Jack Keane en veiligheidsadviseur Stephen Hadley, en ‘slachtoffers’ als oud-minister van defensie Donald Rumsfeld en de voormalige bevelhebber van Irak, generaal George Casey.

Vóór de surge was het Amerikaanse beleid erop gericht dat Irak zich zo snel mogelijk zou ontwikkelen tot een krachtige democratische staat, met een onpartijdige politiemacht en leger. Irak moest, in de woorden van Rumsfeld, zelfstandig leren fietsen, waarna het Amerikaanse leger zich zou terugtrekken. In het najaar van 2006, tegen de achtergrond van almaar toenemend sektarisch geweld, kwamen functionarissen en adviseurs van de regering-Bush tot de conclusie dat een radicaal andere koers in Irak noodzakelijk was.

De nieuwe strategie, met als kern de bescherming van de Iraakse bevolking door extra Amerikaanse soldaten, was een grote gok. Rumsfeld, Casey en oud- ambassadeur in Irak Zalmay Khalilzad – architecten van het oude beleid – moesten het veld ruimen. Aanbevelingen van de prestigieuze Irak Studie Groep over een diplomatieke toenadering tot buurlanden van Irak werden genegeerd. Een opstand van Republikeinse Congresleden werd geriskeerd. In feite sloeg Bush advies van de legertop, zijn minister van defensie, het Republikeinse establishment en partijgenoten in het Congres in de wind.

De interessantste persoon in het boek is Jack Keane. Deze gepensioneerde generaal en adviseur van het ministerie van defensie oefende een buitensporig grote invloed uit. Hij was niet alleen een van de architecten van de surge, maar schoof bovendien zijn protegés, de generaals David Petraeus en Raymond Odierno in Irak naar voren.

Op 3 april 2008 kijkt Keane in een gesprek met vicepresident Dick Cheney tevreden terug op zijn activiteiten. De oorlog in Irak, zegt hij, kan militair niet meer worden verloren. Het prestige van het leger is gered. Een politieke nederlaag is volgens hem nog wél mogelijk, ‘als onze leiders in Washington’ de troepen ‘voortijdig’ willen terugtrekken. Net als McCain is Keane er dus van overtuigd dat Amerikaanse politici – lees: Obama – de militaire ‘overwinning’ in een politieke nederlaag kunnen ombuigen.

Als campagnestrategie heeft dit argument niet gewerkt, maar dat wil niet zeggen dat Obama het ook als president kan negeren. Hij moet voorkomen dat hij de geschiedenis ingaat als de president die ‘Irak verloor’, zoals de media en de Democraten de schuld in de schoenen kregen geschoven voor het verlies van Vietnam in de jaren zeventig. Obama doet er daarom goed aan Republikeinen en de legertop bij de aangekondigde terugtrekking van 140.000 Amerikaanse soldaten uit Irak te betrekken. Het is een van de eerste terreinen waarop hij zich als bovenpartijdige verzoener kan bewijzen.