Het regent, dat wordt voor ons besloten

Jane Leusink: Er is weinig aan de lente veranderd. Kleine Uil, 63 blz. € 14,50

In 2003 werd de debuutbundel van de Groningse dichter Jane Leusink met de Buddingh’-prijs bekroond. Het was zonneklaar poëzie van een laatbloeier – volgroeid gewas dat de vorst had weerstaan. Poëzie schrijven bleek in Mos en gladde paadjes vooral ‘stapelen’, een zoekend, beheerst opeenhopen van gedachten en beelden. Opvallend ook was de vanzelfsprekende toon, die de hele bundel werd volgehouden. Kortom: een debuut dat nieuwsgierig maakte naar meer.

Twee jaar later verscheen een tweede bundel, Erato. Die bundel kreeg ten onrechte weinig aandacht in de landelijke pers. Ten onrechte omdat de belofte van de eersteling volop werd waargemaakt. Leusinks poëzie verkent een uitdijend universum en aandachtige lezers reizen daarin verwonderend mee. Dat gold voor Erato, maar meer nog geldt het voor haar dit jaar verschenen derde bundel, Er is weinig aan de lente veranderd. De dichter meandert daarin door taal en cultuur, met tussentijdse knipogen en uitstapjes. Muziek en muzikaliteit bepalen de toon, en soms ook de inhoud, zoals in ‘The lark ascending’. Jane Leusink schreef dit gedicht naar aanleiding van de gelijknamige compositie van Ralph Vaughan Williams, maar ook wie dit muziekstuk niet kent hoort de melodie.

Hier stijgt ze op met de laatste lieferink mee, ze kan het

niet tegenhouden, zang zingt de rouw

onder haar kapotte nagels vandaan wssjj de zoom

uit haar rok, ze trilt maar staat als een standbeeldje

in deze schitterbare lucht in deze laag is het moeilijk

ademhalen ze zoekt het verdwijnen terug en waar

het verschijnen begon precies hier precies

in de rapsodische vlucht van de soloviool

heeft een man het in zijn goddelijke verstand stervens

koud, heb je het nu al koud, vraagt ze tirti

tsirrie, vanavond of bij slecht weer zitten

wij op een aardkluit of een hoeksteen gaan

onze voeten meebewegen nu is alle

taal geheimtaal of een sluier van repressie

maar uw lieve glimlach hoort ons wel

Bij eerste lezing overheerst de melodie de betekenis, die zich moeilijk laat duiden. Maar als het al wartaal is, dan toch minstens meeslepend, als was het syncopische jazz. Een al te idiosyncratische verwijzing (zoals ‘de laatste lieferink’) is dan vergeeflijk.

‘The lark ascending’ is niet het beste gedicht in Er is weinig aan de lente veranderd, maar het is het wel een helder voorbeeld van Leusinks werkwijze. Vrije associaties, speelse woordkeus en een gedurfde regelval zijn de kenmerken daarvan. Maar niet in al haar gedichten. ‘Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm)’ is de titel van een afdeling midden in de bundel. En inderdaad, hier wordt geoefend. In vijf gedichten stoeit Jane Leusink met de pantoen, een van oorsprong Maleise dichtvorm. Een pantoen bestaat uit strofen van vier regels met gekruiste rijmen. De regels 2 en 4 van de eerste strofe worden regel 1 en 3 van de tweede strofe, en zo door. Jane Leusink beheerst dat rederijkersspel:

Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern

Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt

En de natuur vanzelf, want het is god Natuur

Buig licht voorover als storm over velden woedt

Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt

Zing pianissimo als ware het nat van tranen

Buig licht voorover als storm over velden woedt

Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten

Zing pianissimo als ware het nat van tranen

En de natuur vanzelf, want het is god Natuur

Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten

Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern

Er valt veel te ontdekken in Er is weinig aan de lente veranderd. Jane Leusink schreef beeldende verzen bij schilderijen, een sculptuur en een houtsnede, en minstens zo beeldend zijn haar autobiografische verzen. ‘Exposure’ heet een drieluik waarin ze zich terugschrijft naar haar desoriënterende studietijd. En haar culinaire achtergrond (ze beheert een restaurant in Leens) speelt ze nadrukkelijk uit in de tweelingsonnetten van ‘Kynetische impuls bij cartoons van Peter van Straaten’. Verrassend is de verscheidenheid aan registers die ze in de bundel opentrekt. Het is niet één stem die hier klinkt, en de blik verplaatst zich met het soepele gemak van een boerenzwaluw. Desondanks is er een strakke regie. Die blijkt ook uit de tussen haakjes geplaatste ondertitels, zoals ‘(nieuwsgierig naar plekken was er veel te zien)’ bij ‘Werkplaats’. Maar het is vooral het dwingende idioom dat me als lezer aan Leusinks verzen bindt.