'Het gaat over jonge jongens, kinderen nog'

Theatermakers Leopold Witte en Geert Lageveen bezochten Afghanistan.

een voorstelling over de Nederlandse basis in Uruzgan.

Hun voorstelling gaat niet over het bestrijden van terrorisme en evenmin over het oplossen van religieuze conflicten, zegt acteur en toneelschrijver Leopold Witte over zijn toneelstuk Kamp Holland. Witte: „Het moet gaan over jonge jongens die iets van de wereld willen zien, die denken iets te willen meemaken wat ze eigenlijk níét willen meemaken – daarin ligt de uitdaging van deze voorstelling. Kinderen zijn die jongens nog. Ze worden dronken van drie biertjes, en hebben op hun slaapkamertje posters van Mad Max aan de muur hangen.”

Gisteren ging Kamp Holland in première, een muziektheatervoorstelling van theatergroep Orkater over Nederlandse VN-missie in het Afghaanse Uruzgan. Na een try-out vertellen Leopold Witte en Geert Lageveen over de voorstelling die ze samen bedachten en schreven. En waarin ze ook zelf spelen, onder regie van Gijs de Lange. Daarnaast spelen in Kamp Holland stagiaires van de toneelscholen in Amsterdam en Maastricht, en de muzikanten van het Haarlemse collectief Susies Haarlok.

Als voorbereiding op het stuk bezochten Witte en Lageveen de uitgezonden militairen ter plekke. Ze verbleven in meil twee weken embedded op de Nederlandse militaire basis in Afghanistan. Midden in de woestijn, onder de snikhete zon, met het dreunende mortiervuur binnen gehoorafstand.

Witte: „We kwamen daar vlak na de dood van Mark Schouwink en Dennis van Uhm, de twee jongens van wie het voertuig op een bermbom reed. De emoties daarover drukten op het kamp. We probeerden er voorzichtig over te praten, maar anders dan acteurs, praten militairen niet graag over zichzelf. We werden met argwaan bekeken, zeker in het begin. Pas na een paar dagen, toen ze doorkregen dat we niet van de pers waren, kwamen ze los en kregen we hun verhalen te horen.”

Veel van die verhalen zijn in de voorstelling verwerkt. Ze gaan over WIA’s (Wounded in Action), KIA’s (Killed in Action), OMF’s (Opposing Militairy Forces) en OBL (Osama Bin Laden). Maar ook over de NUKUBU (Nutteloze Kut Burger), de PINO (Potentieel Interessant Neuk Object) en het ROTOTA (Ronnie Tober Tasje). „In het leger korten ze alles af”, verklaart Lageveen. Zo scheppen die jongens een eigen groepscode, maar het is ook een manier om dingen te depersonaliseren. Om zo afstand te houden van wat te verschrikkelijk is voor woorden, om niet kapot te gaan. En ja, dat werkt natuurlijk alleen als het weer met humor onderuit wordt gehaald.”

De oorlog in het stuk zit hem vooral in de muziek, vindt Lageveen. „De muzikanten staan live op het toneel. Plukken aan elektrische gitaren, laten cello’s janken en zorgen voor ritmes die in het hele lichaam nazinderen.” De theatrale kracht zit hem in de onderliggende tegenstrijdigheid van de verhalen. Witte: „Alleen al het feit dat die jongens zijn getraind om te vechten, maar worden uitgezonden om de vrede te bewaren, is een heel mooi dramatisch gegeven. Een gruwelijk gegeven ook, als je er bij stil staat. Een van die jongens zei tegen me: ‘Ik heb een heel apparaat om mensen te doden aan mijn reet hangen. Dan wil ik het een keer doen ook’.”

Toch vliegen er in de voorstelling geen kogels door de lucht, maar Tweety-knuffels: cadeautjes voor de Afghaanse kinderen, om te laten zien dat je niet alles met geweld hoeft op te lossen. „Goed bedoelde beschavingsdrang kan zichzelf ook belachelijk maken”, aldus Lageveen.

Politieke standpunten, vóór of tegen de Nederlandse deelname aan de NAVO-vredesmissie, willen de makers met de voorstelling Kamp Holland niet uitdragen. Witte: „Wij laten mensen zien, in al hun bruisende, al te menselijke tegenstrijdigheden. De naïviteit, die sprankelende drang naar het grote avontuur van die jongens ontroerde mij het nog meest. Maar misschien komt dat ook wel omdat ik vader ben en ik wist: die ene daar, dat had ook míjn zoon kunnen zijn.”