Herdenking verdeelt Duitse politiek

De herdenking van de Kristallnacht is in het Duitse parlement uitgelopen op politieke verdeeldheid over een verklaring tegen antisemitisme.

Berlijn, 7 nov. - Het leek zo mooi, de „gemeenschappelijke verklaring” van de Duitse Bondsdag over de strijd tegen antisemitisme. Maar Stephan Kramer kan er nog boos over worden. „Het was politiek knoeiwerk, dat de joodse zaak in Duitsland ernstige schade heeft berokkend”, zegt hij.

Kramer is algemeen secretaris van de Joodse Raad in Duitsland, de politieke vertegenwoordiging van de joodse gemeenschap in de Bondsrepubliek. Hij is een welbespraakt man, die zich in heldere termen uitdrukt.

Kramers gramschap richt zich op het conflict dat dezer dagen in het Duitse parlement is ontstaan over wat een gemeenschappelijk standpunt van de fracties had moeten zijn inzake antisemitisme. Met dat standpunt zou de Reichskristallnacht van 9 op 10 november 1938 worden herdacht.

In de Kristallnacht van precies zeventig jaar geleden werd een jacht op joden ontketend door aanhangers en troepen van de Duitse dictator Adolf Hitler. De gebeurtenis geldt als voorloper van de Holocaust in de Tweede Wereldoorlog. In die nacht, maar ook in de dagen en weken daarna, werden joden in Duitsland en Oostenrijk opgepakt, vermoord of naar concentratiekampen gebracht. Hun bezittingen werden in beslag genomen, hun synagogen in brand gestoken en hun kerkhoven geschonden.

De naam Kristallnacht verwijst naar de vele ruiten die tijdens de massale acties aan diggelen gingen. Stephan Kramer houdt niet van die eufemistische aanduiding. Hij spreekt liever van de Pogromnacht – de nacht waarin de Duitsers met de razzia’s tegen joden begonnen. Van 9 tot 13 november vermoordden de nazi’s vierhonderd joden. Vanaf 10 november werden 30.000 joden naar concentratiekampen gestuurd.

Die gebeurtenissen had de Bondsdag waardig willen herdenken, maar er ontstond een rel over een bijgaande verklaring inzake antisemitisme. In het bijzonder de christen-democraten (CDU/CSU), maar ook andere parlementariërs, weigerden met de linkse partij Die Linke een gezamenlijk document hierover te ondertekenen.

Argument: Die Linke zou sympathiseren met Hamas en Hezbollah, de terroristische organisaties in het Midden-Oosten die uit zijn op vernietiging van de joodse staat Israël. Bovendien, zo luidde het verwijt, heeft Die Linke „antisemitische elementen” in haar rijen.

Gevolg: er kwam een verklaring over de strijd tegen het antisemitisme ondertekend door SPD, CDU/CSU, FDP en Groenen, en er kwam een gelijkluidend document van Die Linke.

Kramer hekelt in scherpe woorden deze verdeeldheid. „Voor kwaadwillenden betekent dit dat er een bres is geslagen in het democratisch front tegen antisemitisme in Duitsland. Het speelt het rechts-radicalisme in de kaart. Het is een verkeerd signaal dat de politiek heeft afgegeven”.

Een andere kwestie die Kramer bezighoudt, is de integratie. Juist gisteren werd in opdracht van de regering-Merkel de derde ‘integratietop’ gehouden; praatsessies die tot doel hebben de problemen van immigranten en minderheden bespreekbaar te maken. Kramer verklaart de integratie in Duitsland voor „grotendeels mislukt”.

Kramer: „Jonge Turken hebben hier een enorme achterstand op de arbeidsmarkt, al hebben ze een diploma en al spreken ze Duits. Wegens hun Turkse achternaam worden ze zelden voor sollicitatiegesprekken uitgenodigd. Als iemand maar vaak genoeg te horen krijgt dat hij niet in de maatschappij welkom is, is de stap naar radicalisering zo gezet. Deze mensen zijn een willige prooi voor moslimextremisten. Die zeggen: je bent moslim en de joden zijn je vijand. Daarmee wordt het antisemitisme een identificatiesymbool.”

Volgens Kramer heeft de Duitse regering geen afdoende antwoord. „De oorzaak ligt in de afwijzing. Ik mis in Duitsland een gretige houding ten opzichte van emigranten: wij wíllen je; we geven je de kans op een menswaardig bestaan.”

De Duitse discussie over een nieuwe en omstreden moskee voor de Turkse gemeenschap in Keulen heeft Kramer met verbazing gevolgd. Voor hem is het duidelijk: de Turken hebben recht op hun godshuis. „Ze moeten weg uit de achterhoven en de vervallen fabriekjes waar ze nu nog vaak hun geloof belijden.”

Hij vindt het merkwaardig dat wordt geklaagd over het feit dat in veel moskeeën niet in het Duits wordt gepreekt. „Anderzijds valt niemand erover dat in de synagoge Hebreeuws wordt gesproken.”

Maar lof heeft Kramer ook voor Duitsland, zij het dat zijn dankbaarheid uit historische overwegingen „beperkt” is. „We kunnen als joodse gemeenschap de Duitse regering dankbaar zijn voor het feit dat ze na 1989 zo genereus de deur heeft opengezet voor joodse emigranten uit de voormalige Sovjet-Unie. Was dat niet gebeurd, dan was nu geen sprake geweest van opbloeiend joods leven in de Bondsrepubliek.”