Geen school, geen baan, wel nog de criminaliteit

De groep jongeren die langdurig werkloos is, groeit. Dat komt omdat organisaties langs elkaar heen werken.

En jongeren zo niet de juiste begeleiding krijgen.

Jeroen is een ‘drop out’, een jongere die van school gegaan is omdat hij er geen zin meer in had. Hij kwam terecht in een opvanghuis voor zwerfjongeren en klopte bij de gemeente aan voor een uitkering. Na een poos wil Jeroen terug naar school, maar het Centrum voor Werk en Inkomen dringt aan op acceptatie van een baan. Na drie maanden raakt Jeroen werkloos. Ditmaal wil hij een mbo-opleiding maatschappelijk werk volgen. Dat kan als hij van de arbeidsplicht wordt ontheven. Nu ligt het Jongerenloket dwars. Begeleiders krijgen ruzie. Jeroens verzoek wordt afgewezen. Daarna wil hij niet meer meewerken aan reïntegratie. Jeroen verliest zijn uitkering en raakt ‘uit beeld’.

Jeroen hoort tot de harde kern van de jeugdwerklozen. Het gaat om werkloze jongeren die als ongeschoold gelden. Ze beschikken niet over het minimum aan bagage, de startkwalificatie die nodig is voor de arbeidsmarkt. Ze hebben geen havo of vwo-diploma en geen basisberoepsopleiding.

Er komen steeds meer jongeren zoals Jeroen, constateert de Algemene Rekenkamer in het rapport Aanpak harde kern jeugdwerklozen dat gisteren verscheen. De Algemene Rekenkamer controleert het kabinetsbeleid. Gerrit de Jong, bestuurslid bij de Algemene Rekenkamer en verantwoordelijk voor het onderzoek, noemt het probleem van de jeugdwerklozen „verontrustend”.

Het kabinet mist een gevoel van urgentie bij de aanpak van deze probleemgroep, stelt de Rekenkamer in het rapport. Ministeries en talrijke gemeentelijke en rijksinstanties werken langs elkaar heen. Jongeren als Jeroen krijgen vaak niet de juiste begeleiding om naar school terug te keren of aan het werk te komen.

Voor de jongeren zelf betekent dit maatschappelijke uitsluiting. Voor de maatschappij betekent het hoge kosten omdat jongeren lang afhankelijk kunnen zijn van een uitkering, ze overlast veroorzaken of crimineel worden.

De Rekenkamer heeft de problemen met de harde kern van de jeugdwerklozen tussen 15 en 23 jaar in 85 steden in Nederland onderzocht. Hoewel het aantal werklozen onder jongeren de afgelopen jaren fors is gedaald, groeit verhoudingsgewijs de harde kern, constateren de onderzoekers in het rapport. In 2003 bestond de harde kern van jeugdwerklozen uit 47 procent. Vorig jaar steeg dat aandeel tot 66 procent. Het gaat om de 17.617 jongeren die als werkzoekend staan ingeschreven bij het Centrum voor Werk en Inkomen.

In werkelijkheid is de groep volgens de Rekenkamer veel groter. In totaal volgen 72.000 jongeren geen volledig dagonderwijs en hebben geen werk, blijkt uit cijfers van het CBS. De meerderheid zoekt niet actief naar betaald werk.

Twee jaar geleden al wees de Task-force Jeugdwerkloosheid onder leiding van oud-ondernemer Hans de Boer, die door het vorige kabinet was ingesteld, er al op dat er een doelgerichte aanpak nodig is om de groep langdurig werkloze jongeren terug te dringen. Ook de internationale Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling stelde eerder in een rapport vast dat langdurig werkloze jongeren – afkomstig uit migrantengezinnen én autochtone jongeren – vaak buiten de boot vallen.

„Wil het kabinet hier serieus werk van maken, dan is het van groot belang dat iemand als politiek regisseur optreedt”, stelt De Jong van de Rekenkamer, die geïnventariseerd heeft wat er momenteel allemaal gebeurt om jongeren naar de arbeidsmarkt te begeleiden of weer naar school te krijgen. Hij wijst op een keur aan ministeries en talrijke instanties die actief zijn om een grote hoeveelheid maatregelen uit te voeren: de ministeries van Sociale Zaken, Jeugd en Gezin, Onderwijs, Economische Zaken, gemeentelijke Centra voor Werk en Inkomen (de vroegere arbeidsbureaus), Jeugdloketten, reïntegratiebureaus, Regionale Opleidingen Centra, Regionale Meld- en Coördinatiepunten voor schooluitvallers (drop-outs) en zorginstellingen.

Het beleid en de maatregelen zijn te veel verbrokkeld. „Het is zonde van al het geld”, zegt De Jong. Het enige wat jongeren zoals Jeroen uit de problemen kan helpen en terug naar school brengen of aan een baan helpen, is individuele begeleiding. „Deze jongeren hebben een coach nodig met wie een vertrouwensband ontstaat en die ze tijdens het hele proces langs de loketten en instellingen naar school of een baan loodst.” Het probleem is volgens de Rekenkamer uitsluitend op te lossen als de politiek hiervoor één persoon verantwoordelijk maakt, die ervoor zorgt dat instanties en maatregelen beter op elkaar aansluiten.

De tijd dringt, meent De Jong. Hij verwacht dat met de snelle verslechtering van de economische situatie de risicogroep onder jongeren zal groeien. Dan dreigen meer jongeren zoals Jeroen ‘uit beeld’ te raken, op straat te belanden en het criminele pad op te gaan.