Dit mag wél

Iedereen kent de foto’s van martelpraktijken in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib. Maar is werkelijk zo helder wat er op te zien is? Errol Morris maakte er een film over, die geen middel onbenut laat.

Je ziet niet wat je ziet, is het motto van Errol Morris, maker van Standard Operating Procedure, over de Abu Ghraib-foto’s. Je dacht dat je alles al begrepen had: hoe een aantal Amerikaanse militairen maandenlang Iraakse gevangenen mishandelde in dezelfde gevangenis waarin dictator Saddam en zijn zoons hun moordkermis hadden bedreven; puur sadisme van gevangenbewaarders die met opgestoken duim poseren naast de mannen die zij vernederen.

Na bijna twee uur film weet je beter. Er was veel meer aan de hand dan het sadisme van een paar individuen. Morris heeft de vanzelfsprekendheid van het beeld met succes gedemonteerd. Niet vanuit een postmodern uitgangspunt dat elk standpunt in een verhaal zijn eigen waarde heeft en waarheid niet bestaat. De filmmaker streeft naar waarheidsvinding.

En dan niet met de camera op de schouder, schokkerige amateuristische videobeelden en het eigen standpunt duidelijk in beeld – de manier waarop tegenwoordig meestal in documentaires authenticiteit wordt verbeeld. In de films van Morris niets van de suggestie het leven onverhoeds te betrappen. Alles is overdacht, in scène gezet, bewerkt. De filmmaker haalt alles uit de kast waarover de filmkunst beschikt: geënsceneerde beelden, spectaculaire montage, animatie, muziek en honderden uren, tot kleine soundbites gemonteerde interviews, afgenomen met de ‘Interrogatron’. Dat is een door Morris zelf uitgevonden ‘interviewmachine’, waarbij interviewer en geïnterviewde naar elkaar op videoscherm kijken, en de geïnterviewde recht in de camera spreekt (of juist veelzeggend de blik afwendt).

Wat leren we zoal uit Standard Operating Procedure over de Abu Ghraib-foto’s? Dat wat daarop te zien is, een direct gevolg is van de vaagheid van het juridisch kader waarmee de Amerikaanse regering de oorlog in Irak is ingegaan – en meer in het algemeen de war on terror voert.

Geen wonder dus dat de inmiddels veroordeelde Amerikaanse militairen geen begrip hebben voor hun veroordeling, onder wie Lynndie England, dat kleine meisje dat beroemd is geworden door de foto waarop ze een gevangene aan een hondenband door een gevangenisgang voert, en een andere waarop ze lachend naar het geslacht wijst van een gevangene die gedwongen is staande te masturberen. Ze deden immers wat er van ze gevraagd werd: bij de gevangenen zodanige stress teweegbrengen, dat ze zouden doorslaan bij verhoor door weer andere militairen die op de foto’s en in de processen buiten beeld zijn gebleven.

Veel van de schokkendste in 2004 naar buiten gekomen foto’s hebben dan ook geen strafbaar feit opgeleverd, legt in de film een militaire aanklager uit. De beroemdste foto – inmiddels zinnebeeld van het geallieerde ingrijpen in Irak geworden – van de man die met een zak over zijn hoofd en de armen gespreid op een kartonnen doos moet staan, elektrische draden aan zijn vingers gebonden, leverde bijvoorbeeld geen strafbaar feit op. Die draden waren immers niet aangesloten, de man dacht alleen maar dat hij zou worden geëlektrocuteerd wanneer hij zijn evenwicht zou verliezen.

Deze behandeling was geoorloofd, standard operating procedure. Evenals andere methoden om de gevangenen mentaal uit hun evenwicht te brengen door ze in stressful positions te plaatsen: urenlang naakt in ongemakkelijke of pijnlijke houdingen vastbinden; dwingen zich naakt uit te kleden ten overstaan van vrouwelijke gevangenbewaarders; dwingen damesslipjes aan te trekken of die over hun hoofd trekken; met water besproeien of luide muziek laten horen om de gevangenen wakker te houden en zo dagenlang hun slaapritme te verstoren. Allemaal in orde: standard operating procedure..

En zo brengt Morris bij de kijker de emotie teweeg die het meest bij film hoort, en die je in het geval van de Abu Ghraib-foto’s het minst voor mogelijk had gehouden: empathie jegens de daders. Die zijn veroordeeld voor die dingen die niet mochten – binnen het door de Amerikaanse regering zelfbedachte juridische kader, want evenmin als in Guantanámo Bay genieten gevangenen in Irak de bescherming van de Conventies van Genève. Dwingen tot groepsmasturbatie mag niet, bijvoorbeeld. Het op elkaar stapelen van naakte mannen evenmin, of het instompen op geblinddoekte gevangenen.

Maar kun je de veroordeelde bewaarders echt kwalijk nemen dat ze over de schreef zijn gegaan? Na het zien van Morris’ film ben je daar niet meer zo zeker van. De instructies voor de omgang met de gevangenen, die te herleiden zijn tot vice-president Dick Cheney, waren vervat in onduidelijke, elkaar deels tegensprekende dienstorders van diverse commandanten. De merendeels jonge en onervaren MP’s (military police) handelden in de geest van wat ondervragers van de CIA of de militaire inlichtingendienst hen vroegen: de wil van de gevangenen breken.

Het was niet hun schuld dat het merendeel van de gevangenen in de Abu Ghraib niets te bekennen had. In arren moede, zonder inzicht in de lokale situatie, arresteerden Amerikaanse troepen in het veld gewoon iedereen die in de buurt van een verdachte situatie was, zodat Abu Ghraib al vlug overbevolkt raakte met onschuldigen, zonder een duidelijke procedure voor vrijlating. Werken in deze omgeving was geen pretje: de gevangenis werd bijna dagelijks bestookt door granaten van de Iraakse opstandelingen, en bij één gelegenheid schoot een gevangene een vuurwapen leeg op een bewaker. Het wapen was door een Iraakse bewaker naar binnen gesmokkeld.

Een van de belangrijkste onthullingen van Morris is het waarom van de foto’s zelf, zonder welke we nooit van de wandaden in Abu Ghraib zouden hebben gehoord. Welke dader is zo stom om zijn eigen wandaden op foto vast te leggen en er nog een beetje grijnzend naast te poseren ook? Susan Sontag lanceerde in 2004 de these dat seksueel geweld in de VS door films, porno en tv zo gewoon is geworden, dat het personeel van de Abu Ghraib in de foto’s niets ongewoons zag. Morris ontzenuwt deze gedachte deels. Veel van de foto’s zijn genomen door soldaat/gevangenbewaarder Sabrina Hartman, een van de veroordeelden. In de film vertelt zij dat ze juist foto’s nam omdat ze documentatie wilde verzamelen over iets waarvan ze vond dat het niet klopte. Dat dit niet iets is wat Hartman achteraf, ter verdediging, heeft bedacht, blijkt uit de brieven die zij in 2003 naar haar lesbische partner thuis schreef.

Het licht dat Errol Morris op ‘Abu Ghraib’ werpt, maakt wat er gebeurd is weliswaar anders, maar niet minder erg. De toegevoegde dosis empathie maakt het de kijker ook niet makkelijker om naar de gewraakte foto’s te kijken – nu ik ze voor de illustratie van dit artikel weerzie, betrap ik me erop dat ik ze nog steeds zo snel mogelijk wegklik. Alleen weet je na het zien van de film veel meer over wat per saldo een van de gênantste episodes is uit een strijd die ook uit uw en mijn naam wordt gevoerd. Elke historicus weet dat het heel moeilijk is om de geschiedenis te schrijven van een gebeurtenis die nog aan de gang is. Morris is dat gelukt. De oorlog in Irak is nog aan de gang, en de standard operating procedure is nog van kracht.

‘Standard Operating Procedure’ is te zien op het IDFA. Over de Abu Ghraib-foto’s schreef Morris met journalist Philip Gourevitch ook een boek onder de titel ‘Standard Operating Procedure. A war story’. (Picador 2008)