De wereld zal heel worden

Er wonen niet heel veel kiezers in Idaho, Iowa en Wyoming, maar die noordelijke staten zijn het literaire thuisland voor de Amerikaanse schrijfsters Marilynne Robinson en Annie Proulx . In de nieuwe roman van Robinson zet zij haar morele en religieuze zoektocht voort, met op de achtergrond een door zijn blanke vader verstoten zwarte jongen. De nieuwe bundel van Proulx toont de geleidelijke sleet van het leven in het lege land. David Gutersons held verbindt daar conclusies aan: hij verstopt zich in een grot.

Marilynne Robinson: Een huishouden. Vertaald door Wim Dielemans. De Arbeiderspers/Mozaïek, 228 blz. € 18,95

Marilynne Robinson: Home. Farrar Straus & Giroux, 325 blz. € 20,95. De Nederlandse vertaling door Ronald Vlek verschijnt in februari 2009.

Geloven in God hoeft niet gelijk te staan aan een levenslange worsteling. Neem de debuutroman uit 1980 van Marilynne Robinson. Op een van de eerste bladzijden van Een huishouden beschrijft zij iemands religieuze hang alsof het om een hardnekkige, halfbewuste gewoonte gaat. ‘En hoewel ze er nooit over sprak, en er ongetwijfeld zelden aan dacht, was ze een religieuze vrouw’, vertelt hoofdpersoon Ruth over haar grootmoeder, waarna een karakteristiek beeldende zin volgt: ‘Dat wil zeggen dat ze zich het leven voorstelde als een weg die men bezig was af te leggen, een tamelijk gemakkelijke weg door een weids landschap, en dat iemands bestemming er van het begin af aan al was, een eind verderop, op een zekere afstand in gewoon daglicht, als een eenvoudig huis waar je binnentrad en werd begroet door fatsoenlijke mensen die je een kamer toewezen waarin alles wat je ooit had verloren of opzij gezet wachtend bijeenstond.’

Als ‘lotsbestemming’ niet zo’n nuffig woord was, zou je zeggen dat het zo enthousiast onthaalde debuut van Robinson – eerder dit jaar verscheen een heruitgave – dáár over gaat. Op dezelfde manier staat predestinatie – de uitverkiezing door God – centraal in haar nieuwste roman Home. Alleen verbloemt die formele term hoe menselijk en diep doorvoeld het hierin vertelde verhaal is over de geboren godsloochenaar Jack Boughton. Maar in beide boeken heeft het er alles van weg dat de levensweg van de hoofdpersonen vooraf inderdaad al onwrikbaar vast lag. Cruciaal daarbij is het verlangen van de hoofdpersonen – of hun gebrek aan verlangen.

In een kleine dertig jaar publiceerde de Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson maar drie romans. Tussen de eerste twee lag 24 jaar. Maar haar geringe productie staat in geen verhouding tot haar literaire status. Met haar debuut werd ze genomineerd voor de Pulitzer Prize, die ze met haar tweede roman Gilead in 2005 ook daadwerkelijk won. Met Home, het vervolg op Gilead, maakt Robinson deze maand kans op de prestigieuze National Book Award.

Haar debuut Een huishouden is raadselachtiger en ook onstuimiger dan haar meer gestileerde laatste twee romans. De lezer bevindt zich in het hoofd van Ruth, die samen met haar iets jongere zusje Lucille onder grootmoeders zorg opgroeit in het Amerikaanse stadje Fingerbone in het conservatieve Midden-Westen. Hun moeder liet hen op een dag achter op de veranda van het huis van hun oma en reed toen met haar auto het nabijgelegen meer in. Dat was op dat moment al het water van de doden. Want vroeger, op een dag die zich heeft vastgezet in het collectieve geheugen, is er een trein van de spoorbrug gestort en onder water verdwenen. Eén van de inzittenden was de grootvader van Ruth en Lucille.

Het meer roept bij hoofdpersoon Ruth niet alleen een gevoel van gemis op maar ook een sterk verlangen naar de personen die er het leven lieten. Tot zover lijkt er sprake van doorsnee rouwverwerking. Maar Ruths hunkering zorgt ervoor dat de gestorvenen bijna tastbaar aanwezig zijn, in een haast religieuze vleeswording. ‘Het smachten en het smaken lijken evenzeer op elkaar als een voorwerp en zijn schaduw’, schrijft Robinson. En daarna: ‘Ook hier ontwaren we weer een voorafschaduwing – de wereld zal heel worden gemaakt.’ Dat die religieuze connotatie nadrukkelijk door de schrijfster wordt bedoeld, blijkt nog eens als ze aan het eind van de roman expliciet een parallel met Jezus trekt.

Het tweede deel van deze eigenzinnige en intrigerende roman is het beste. Ruth verdwaalt steeds meer tussen het werkelijke en het gedroomde leven. Ze begint ook steeds meer te lijken op haar onnavolgbare tante Sylvie, die na de dood van hun grootmoeder de zorg voor beide zusjes op zich nam. Maar Ruths zusje Lucille staat sceptischer tegenover het gedweep met het verleden. En dat is wat Robinson wil laten zien: hoe religie voor de één een tweede natuur is en voor de ander een anomalie, hoe het verleden zich aan de een vastgrijpt en van de ander afglijdt.

De verborgen religiositeit van Het huishouden is veel explicieter aanwezig in Gilead en het nieuwe Home. De eerste roman bestaat uit de brief die de oude, aan een hartkwaal lijdende dominee John Ames uit het dorpje Gilead in Iowa – eveneens in het conservatieve Midden-Westen – in 1956 wil nalaten aan zijn zevenjarige zoontje. De onstuimigheid van Robinsons debuut wijkt hier voor een kalme, haast bedaagde uiteenzetting van inzichten, herinneringen en religieuze ervaringen. Nog meer dan in haar debuut toont de Amerikaanse schrijfster haar vermogen om zinnen te formuleren en scènes te beschrijven die ook na herhaaldelijk lezen hun totale betekenis niet prijs gegeven. Zo herinnert Ames zich een dag dat hij van zijn vader een koekje kreeg. Waarom die herinnering hem jaren later nog zo raakt, weet de predikant zelf ook niet precies. Maar hij heeft sterk het gevoel dat hij toen van zijn vader de communie ontving. Al tastend zoekt Robinson zo naar de verbeelding en verwoording van de religieuze ervaring. Iets wat ze weliswaar zonder ironie, maar met humor doet.

Dit alles gaat ook op voor het recente Home. Centrale figuur is Jack, zoon van Ames’ beste vriend en collega-predikant Boughton. Jack is de verpersoonlijking van het ongeloof, het gebrek aan godsverlangen. Met een duidelijke verwijzing naar de gelijkenis van de verloren zoon keert hij terug naar het huis in Gilead waar hij opgroeide. Zijn vader is ernstig ziek en wordt verzorgd door zijn jongste zusje Glory, de verteller van het verhaal.

Vlak voordat hij twintig jaar lang van de aardbodem verdween, haalde hij zichzelf en de keurige predikantenfamilie een schandaal op de hals door een jong meisje zwanger te maken, en zijn dochter vervolgens te verwaarlozen, die ook nog eens vroeg zou sterven. Deze zwarte geschiedenis geeft een groot gewicht aan alles wat in de roman wordt gezegd, gedaan en verzwegen. Al moet je voor die leeservaring wel Gilead kennen, want Robinson vertelt weinig een tweede keer. De uiterst zelfbewuste – en daardoor af en toe wat pathetische – Jack vergelijkt zichzelf met de uit dood opgewekte Lazarus, die de lijkgeur nog om zich heen heeft hangen. En door zijn niet aflatende beleefdheid en voorkomendheid tegenover zijn vader en zus benadrukt hij alsmaar de afstand die tussen hen bestaat.

Zijn drijfveer om terug te keren naar de plek waar hij zo ongemakkelijk opgroeide blijft wat onderbelicht. Langzaam wordt wel duidelijk dat de vader van de zwarte vrouw met wie hij in St. Louis samenleefde, hem verstoten heeft. Het is een van de spaarzame momenten waarop Robinson aan het thema racisme raakt. Op een ander moment reageert Jacks vader ontwijkend wanneer zijn zoon het gesprek brengt op de 14-jarige zwarte jongen Emmett Till, die een jaar eerder is gelyncht nadat hij een blanke vrouw had nagefloten.

Maar dat het racisme ook in eigen familiekring voorkomt, is er niet de oorzaak van dat Jack al als klein kind het vreemde element was in dit Presbyteriaanse huishouden. Al jong was hij altijd weg van huis, dronk hij te veel en stal hij alles wat los en vast zat. Die jeugdige kleptomanie werd in Gilead overigens treffend beschreven. Terwijl de grootvader van de oude Ames ongemerkt het huis van zijn zoon leeghaalde omdat voor elk voorwerp wel een behoeftige gevonden kon worden, legde Jack zonder duidelijke beweegreden de hand op andermans spullen. Alsof het zijn aard was.

‘Zijn er mensen die simpelweg slecht zijn geboren, slecht leven en naar de hel gaan?’, vraagt Jack dan ook aan Ames op een sleutelmoment in Home. Het dogma van de predestinatie is voor die laatste al een predikantenbestaan lang een struikelblok. En ook nu verliest hij zich al snel in theologische sluiproutes. Zijn vrouw springt hem bij. ‘Iedereen kan veranderen’, zegt ze vanuit vooral haar menselijk gemoed. Die woorden neemt Jack dankbaar in ontvangst, ook al zijn ze een moment later weer vervlogen. Die twijfel tussen aardse zorg en hemelse zaligheid vormt de kern van het boek.

Robinsons derde roman heeft niet de beeldende kracht van haar twee vorige boeken, en al helemaal niet de charmante ongeremdheid van haar debuut. Maar Home maakt indruk als een uiterst zorgvuldig geschreven morele vertelling, die laat zien hoe het geloof de één optilt en de ander in het nauw drijft. Uiteindelijk zijn die twee mijlenver van elkaar verwijderd.