De broodwinning van Errol Morris

Een van de aantrekkelijke kanten van de Amerikaanse democratie is de directheid waarmee de strijd gevoerd wordt. In Nederland, waar debat eerder als onaangenaam en een beetje verdacht wordt aangemerkt, is die directheid meestal ver te zoeken.

Laat staan dat Nederlandse kunstenaars de neiging hebben zich in zo’n debat te mengen – de onfortuinlijke, en ook al weer vergeten plannen van de filmer Eddie Terstall om zich kandidaat te stellen voor het PvdA-lijsttrekkerschap misschien even daargelaten.

Maar neem nu Errol Morris, naar mijn smaak de grootste maker van documentaire films die Amerika op dit moment kent. Van enigerlei volgzaamheid jegens de macht kun je hem niet verdenken. In zijn met een Oscar bekroonde film The Fog of War. Eleven lessons from the life of Robert McNamara (2005) ontleedt hij op spectaculaire wijze het leven en politieke optreden van de Amerikaanse minister van Defensie die als geen ander verantwoordelijk is geweest voor de Vietnamoorlog. Niet als een aanklacht of verdediging, maar met eindeloze aandacht voor de details van zijn verhaal, en de gecompliceerde persoonlijkheid van McNamara, met wie hij al interviewend een vertrouwensrelatie heeft opgebouwd.

Niet minder spannend is Morris’ Standard Operating Procedure, over de beruchte Abu Ghraib-foto’s, dat een van de hoogtepunten belooft te worden op het komende International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA). Ook deze film is vrij van propagandistische, naar agitprop ruikende elementen. Morris slaagt er als geen ander in, complexe werkelijkheden te ontleden en te laten zien.

Maar dat verhindert de filmmaker geenszins met trots gewag te maken van de reclamespot die hij heeft gemaakt voor de Obama-campagne (peopleinthemiddleforobama.org). Dezelfde interviewtechniek die Morris heeft ontwikkeld voor zijn ‘normale’ films (zie verderop in dit CS) gebruikt hij daar om een aantal Amerikanen uit het politieke midden, die eerder de neiging zouden hebben om Republikeins te stemmen, te laten vertellen dat ze hun stem aan Obama gaan geven, niet uit genegenheid voor de ene partij of afkeer van de andere, maar gewoon omdat hij de beste man is.

Met eenzelfde ontspannen openlijkheid vertelt Morris in zijn immer interessante blog op de site van The New York Times, Zoom geheten (morris.blogs.nytimes.com), waarom hij de spot gemaakt heeft. Niet zozeer uit politieke bevlogenheid, maar omdat hij nu eenmaal niet uitsluitend kan leven van zijn ‘grote’ documentaires. En dus verwerft hij zijn inkomen door het maken van commercials, ook niet-politieke. Ook deze houding tref je in Nederland, met zijn zwaar gesubsidieerde filmindustrie, toch maar weinig aan bij filmmakers, en als ze al commercials maken doen ze er erg discreet over.

Op zijn blog voorziet Morris overigens zijn ‘gewonemensen’-spot voor Obama van een historische context, door te verwijzen naar een andere spannende site, The Living Room Candidate (livingroomcandidate.org). Het opvoeren van ‘gewone mensen’ in Amerikaanse verkiezingsspots blijkt een hele traditie te zijn, en de site heeft daarvan allerlei vermakelijke voorbeelden. Een Nederlandse traditie in verkiezingsspots? Ik zou er geen weten.