Betrekkelijke bekeringen

In tijden van hoog oplopende politieke spanning komt het altijd weer terug. Rechts beschuldigt ‘de’ media ervan dat ze links zijn en dat aan de universiteiten de studenten de linkse opvattingen met de paplepel krijgen ingegoten. Dit verwijt is internationaal. Een paar weken geleden waarschuwde Michael Barone van het neoconservatieve American Enterprise Institute tegen ‘de liberale bandietocratie (thugocracy), die haar marsorders regelrecht van de universiteiten krijgt.’

Toevallig is er onlangs een studie over deze beweerde indoctrinatie verschenen: Closed Minds? Politics and Ideology in American Universities, van A.Lee Fritchler, die ook professor is, wat hem in de ogen van de tegenstanders verdacht kan maken. Linkse indoctrinatie is fantasie, zegt hij. De meeste en vaak beslissende invloed wordt uitgeoefend door de ouders en de rest van het gezin. Daarna komen de media en tenslotte de professoren. Het is heel moeilijk, de fundamentele opvattingen van iemand na zijn vijftiende nog te veranderen. Ben je in een liberal gezin opgevoed, dan blijf je waarschijnlijk liberal tot je laatste snik. (Liberal is in Amerika een vorm van links die bij een grote meerderheid bij voorbaat verdacht is). Voor conservatief en reactionair geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Mij lijkt het plausibel. Radicale politieke bekeringen zijn betrekkelijk zeldzaam. Veel waarschijnlijker is het dat de kinderen die na hun vijftiende in grote trekken gevormd zijn, daarna op zoek gaan naar alles waarin ze de bevestiging van hun gelijk vinden. Daarin worden ze dan door een aantal media op hun wenken bediend. Ik schrijf dit stukje op de dag van de Amerikaanse verkiezingen, koop iedere dag de kranten en zie hoe bij de uitgesproken partijdigen de razernij toeneemt. Wat dit aangaat is mijn lievelingskrant The New York Post. Altijd een partisanenblad geweest, maar sinds George W.Bush acht jaar geleden aan zijn eerste campagne voor het presidentschap begon, bezeten van een geloofsijver die we in de Nederlandse politiek niet meer kennen.

Iedere krant is nog altijd, ondanks de groei van internet, behalve een bron van informatie ook een politiek medium want kiest op een zeker ogenblik partij. Daarvoor zijn de hoofdartikelen. En dan hebben we de opiniepagina waar anderen hun afwijkende mening geven. In de Post niets van dit alles. Ze hebben daar wel opiniepagina’s maar alle bijdragen zijn van hetzelfde laken een pak. Obama is eigenlijk een moslimsocialist, om het samen te vatten, en McCain praktisch zijn leven lang de nationale held geweest.

Het interessante van de Post is dat de redactie erin slaagt, iedere dag weer nieuwe variaties op dit thema te bedenken, in bijnamen, bijvoeglijke naamwoorden, subtiele verdachtmakingen, alles binnen de grenzen der wet. In de Post is door de jaren heen (eigenlijk al sinds het presidentschap van Bill Clinton) een nieuwe politieke taal tot ontwikkeling gebracht, die mij doet denken aan het Nederlands dat in de Koude Oorlog door het volksdagblad De Waarheid werd gebruikt.

Over deze verkiezingen zal nog lang worden nagepraat. Een taalkundige studie over de nieuwe demagogie zou geen kwaad kunnen. En, zoals Fritchler zegt: veel beter onderwijs zodat de opgroeiende jeugd de halve waarheden weer van de hele kan onderscheiden. Want net als bij ons leren de kinderen dat niet meer op school. In Amerika kijken ze nog meer naar de televisie.