Als een weekdier zonder schelp

In haar nieuwe roman portretteert de Zuid-Afrikaanse schrijfster Ingrid Winterbach een taalonderzoeker die wil weten hoe ver het toeval reikt.

Ingrid Winterbach: Het boek van toeval en toeverlaat. Uit het Afrikaans vertaald door Riet de Jong-Goossens. Cossee, 350 blz. € 21,90

Wanneer iemand zijn ontlasting op je kleed achterlaat, is dat vernederend. Maar het wordt pas echt erg wanneer het niet persoonlijk bedoeld is. Je mag toch verwachten dat iemand zo beleefd is om zoiets te doen uit rancune.

Het gebeurt Helena Verbloem, hoofdpersoon van Ingrid Winterbachs roman Het boek van toeval en toeverlaat. Verbloem werkt als assistente van Theo Verweij aan een project om alle Afrikaanse woorden die in onbruik zijn geraakt bijeen te brengen en van hun etymologische betekenis en datering te voorzien. Een project dat wel wat weg heeft van het project van de Duitse taalkundige Wilhelm Bleek halverwege de 19de eeuw. Omdat de taal en cultuur van het volk de /Xam bedreigd werden, wilde hij die vastleggen voordat ze voorgoed verdwenen zouden zijn.

Helena en Verbloem doen iets vergelijkbaars: ze inventariseren verdwijnende woorden in een natuurhistorisch museum in Durban, een omgeving overigens waar vooral Engels en Zulu wordt gesproken. Hoe onbelangrijk het Afrikaans daar is, blijkt ook uit het verzoek dat Helena krijgt van iemand van de stadsbibliotheek: de Afrikaanse literatuur moet opgeschoond worden. Alles wat vóór 1990 is verschenen, mag sowieso weg en de boeken die in het Afrikaans geschreven zijn na 1990 moeten gewild zijn, anders kunnen die ook worden opgeruimd. De planken zijn nodig voor boeken in andere talen.

Ondertussen spreekt Helena veel met een medewerker van het museum over het ontstaan van de aarde, dat vooral op toevalligheden is gebaseerd. De relatie met het Afrikaans is eenvoudig gelegd: de ontwikkeling van de taal heeft plaats volgens een darwinistisch principe, waarmee niet bedoeld wordt dat de sterkste wint, maar dat er verschillende onvoorspelbare factoren zijn (‘toeval’) waardoor de ene taal het wel redt en de andere niet. Als enige wapen is er ‘toeverlaat’, dat wil zeggen: steun en troost. Om het idee van kwetsbaarheid kracht bij te zetten, wordt Verweij nog voordat het project is afgerond dood aangetroffen in zijn werkkamer.

Daarnaast speelt het persoonlijke verhaal van Helena. Drie maanden nadat ze aan de slag is gegaan, wordt bij een inbraak haar bijzondere schelpenverzameling gestolen. Een symbolische diefstal, omdat een schelp immers bescherming biedt aan weekdieren, een van de kwetsbaarste levensvormen. Behalve het meenemen van de schelpen heeft de dief zijn ontlasting achtergelaten op de deurmat, een al even symbolische daad: dat wat aan het verdwijnen is, wordt verteerd. Wat de onderzoeker rest, is een even nutteloze als smerige vorm. Danig van slag gaat Helena zelf op onderzoek uit in de hoop haar schelpen terug te vinden. En dan blijkt de diefstal een vergissing: het verkeerde huis was betreden, de schelpendiefstal was toeval, niet persoonlijk bedoeld, net zo min als de drol op het kleed.

Collateral damage dus – en dan dringt zich de vergelijking met het Afrikaans weer op: verdwijnt het Afrikaans door toeval, zonder persoonlijke motieven, als toevallig slachtoffer van de geschiedenis?

Alles blijkt volgens Helena tot toeval te herleiden, maar wat moet je met die wetenschap? Haar overwegingen aan het slot bieden weinig uitkomst: ‘Ik weet evenmin als de schelp wat de dag van morgen mij zal brengen. Ik ben een complexer en gevoeliger wezen dan het weekdier, maar ik heb net zo min beheer over mijn lot. […] Ik zie mijn lotsbestemming niet bepaald door de Voorzienigheid, maar als samenloop van wel honderd, wel duizend en één toevalligheden’.

De combinatie tussen cultuur en evolutie is Winterbach niet vreemd. In haar vorige boek Niggie werd de strijd ten tijde van de Anglo-Boerenoorlog geplaatst binnen de ontstaansgeschiedenis van de wereld: een geoloog en een bioloog deden veldwerk, twee ‘onschuldige’ wetenschappen waarbinnen ras en taal geen rol spelen, terwijl de kwetsbaarheid van mens en cultuur door de oorlog overduidelijk was.

Diezelfde kwetsbaarheid komt ook in deze roman voortdurend naar voren, zij het dat het verhaal zich hier geforceerder en moeizamer voortsleept dan in Niggie. Hoewel er nu wel duidelijker een mysterie centraal staat, voel je niet mee met het verlies van de schelpen. Niet alleen omdat het lastig is een volwassen iemand met een schelpenverzameling serieus te nemen, maar ook omdat ze zo overduidelijk symbool staan voor een kwetsbare taal en cultuur. En wie dat nog niet begreep, krijgt de boodschap er veelvuldig in gehamerd: ‘het verlies van de schelpen is opgenomen in de context van een groter verlies’. En hetzelfde geldt voor de kaartenbak van verdwijnende Afrikaanse woorden die over vele pagina’s uitgestort worden. Het idee is sympathiek: de vergeten woorden zijn weer wat langer houdbaar door ze in een roman op te nemen. Maar of je het daarmee wint in de darwinistische taalstrijd, dat is maar zeer de vraag.

Ingrid Winterbach treedt bij het Lux-festival op 9 en 11 november op. (www.lux-nijmegen.nl)