Afrika , tel uit je winst

Het IDFA opent dit jaar met Episode 3 van Renzo Martens, een film die laat zien hoe het Westen aan de armoede van Afrika verdient. „Niet kijken helpt ook niet.”

Hoe oud zal het kind zijn? Acht maanden? Anderhalf? Door de mate van ondervoeding is het niet te zeggen. Het hoofd is een waterhoofd, het zwoegende borstkastje lijkt op dat van een vogeltje, de armpjes zijn twijgjes. Het huilt niet, het stoot een soort gepiep uit. Drie fotografen staan om het kind heen en vangen het in flitsen en klikken. „Nee”, zegt de jongen die zich opwerpt als hun instructeur, de Nederlandse kunstenaar Renzo Martens (Sluiskil, 1973). „Jullie moeten nog beter inzoomen. Zo op afstand zullen de foto’s niet werken. Zo brengen ze geen geld op.”

De scène met het uitgehongerde kind behoort tot de hardste van Martens’ film Episode 3, waarin de kunstenaar korte metten maakt met de aanname onder de beelden van ellende die de westerse televisiekijker dagelijks krijgt voorgeschoteld. Die luidt: het tonen van dit leed draagt eraan bij dat er een eind aan komt. Onze empathie, ons medelijden, zal maken dat iemand iets doet, en dan zal dit kind niet langer honger lijden, of zal er een eind komen aan deze oorlog. Het tegendeel is minstens zo waar, betoogt Martens in Episode 3: beelden van armoede en lijden houden armoede en lijden juist in stand.

Een stuk van de film circuleerde al op tentoonstellingen, met veel geroezemoes in de kunstwereld tot gevolg. Het eindresultaat, een film van anderhalf uur met Martens zelf in een sleutelrol, is pas binnenkort te zien. Episode 3 is openingsfilm van het documentairefestival IDFA, dat 20 november begint. In plaats van met een journalistiek geëngageerde documentaire, opent IDFA dit jaar dus met een film die aanschopt tegen het hele principe van engagement, het idee dat al dat betrokken beeldmateriaal bijdraagt aan verandering.

In Episode 3 zit een scène waarin de elite van Kinshasa enthousiast een expositie bezoekt van stemmige, dure kunstfoto’s vol magere zwarte arbeiders. De gefotografeerden is niets gevraagd. Alleen al om die scène moet iedere IDFA-bezoeker Martens’ onrustbarende, uitdagende film gaan zien, want hij zal zijn eigen interesse in geëngageerde kunst en documentaire op een venijnige manier ondermijnd weten.

In een restaurant bij zijn Brusselse appartement, waar hij bijna een jaar werkte aan de montage van Episode 3, zegt Martens: „Het idee dat jouw kijken de wereld uiteindelijk beter zal maken, klopt niet. In feite bestendigen beelden van armoede de bestaande situatie. Mijn film probeert te tonen dat kijken naar armoede een uiting is van macht. Wij kijken en zij worden bekeken. Onze afgezanten, de leden van de westerse journalistiek en van de ontwikkelingsindustrie, verdienen aan die beelden. De gefilmden niet. Wij hebben het gevoel dat onze onvrede, onze verontwaardiging, iets betekent. Maar die empathie stelt je als kijker gerust, geeft je het gevoel dat jouw kijken deel van de oplossing is. Ik hoop daarom dat mijn film empathie juist onmogelijk zal maken.”

Lijdende Congolezen zijn weer in beeld:

hun foto’s staan in kranten, we zien ze op televisie, omdat in de oostelijke provincies de zoveelste ronde is uitgebroken in de permanente, uitzichtloze strijd om grondstoffen (goud, koper en coltan, bestemd voor westerse laptops, telefoons en iPods), tussen ‘rebellen’ en regeringsleger – zo’n gewelddadige patstelling die terreur jegens burgers als voornaamste kenmerk heeft en ‘Nieuwe oorlog’ wordt genoemd. In Episode 3 laat Martens zien hoe deze beelden tot stand komen. Hij vraagt een fotograaf van het Franse persbureau AFP: „Van wie zijn deze beelden? Zijn ze van u of van de Afrikanen die u de filmbare situatie verschaffen?”

De lucratiefste ruwe grondstof van Afrika, zo redeneert Martens, zijn namelijk de foto’s van hongerende kinderen, verwoeste dorpen, vluchtelingen en verkrachte vrouwen waarvan het continent de wereld een overvloed levert. Nagenoeg al deze foto’s worden gemaakt door westerse fotografen. Afrika zelf verdient niks aan wat Martens als de grootste rijkdom van het continent beschouwt: zijn armoede. Voorwaarde is nu dat Afrikanen zelf toegang krijgen tot de productieketen van lijdensbeelden.

In Episode 3 begint Martens daarom zijn persoonlijke ontwikkelingsproject, waarvan de scène met het kindje de culminatie is. Martens rekent drie Congolese fotografen voor hoeveel ze kunnen verdienen als ze van onderwerp veranderen: een foto van een plaatselijke bruilof of partij levert 1 dollar op. Een foto van een gesneuvelde strijder, een verkrachte vrouw of een ondervoed kind 50 dollar. Tel uit je winst.

Is armoede een product als alle andere?

„Ik zou zeggen van wel. Je kunt het zaaien, oogsten, marketen en verkopen; bij consumptie heeft het een helende functie. Niet voor iedereen, maar er zijn mensen die er erg gevoelig voor zijn. Empathie, ik ben er niet tegen. Het maakt dat je van jezelf kunt houden. Ik stel slechts voor dat degenen die ons deze helende dienst leveren, er zelf ook iets aan overhouden.”

Voor Episode 3 heeft Martens zich laten inspireren door A Modest Proposal, een satire van Jonathan Swift uit 1729, waarin deze als oplossing voor het armoedevraagstuk in Ierland voorstelde de kinderen van de armen aan de rijken te voeren. Veel van het provocatieve van Episode 3 schuilt in het feit dat het idee satirisch is, maar de uitwerking reëel – met echte mensen in een echte wereld. Martens: „De film gaat tot op de rand van de satire. En dan opeens blijkt de satire echt waar te zijn.” De kunstenaar laat zichzelf daarbij niet buiten schot. In Episode 1, dat in een bijprogramma van IDFA 2005 te zien was, reisde Martens af naar Tsjetsjenië. In plaats van, zoals journalistiek gebruikelijk, de mensen daar te vragen hoe ze zich voelden nu hun huizen waren gebombardeerd en hun lichamen waren verminkt door granaatvuur, vroeg hij de inwoners van Grozny in een soort vanitas -scènes wat ze van hém dachten: gezonde, welvarende jongen met een dure camera.

Aan Episode 2, de laatste film

van het drieluik, wordt nog gewerkt. In Episode 3 zet Martens, gekleed in wit overhemd, getooid met strooien hoed en vergezeld van Afrikanen die zijn kisten met materieel torsen, voet aan wal in Congo. Hij dringt, varend op een vlot, diep door in de jungle, en ontmoet daar een eenzame blanke geestverwant. „Wat is dit water zwart”, verzucht deze man. „Als je naar beneden kijkt, zie je niks behalve je eigen angst.”

Je denkt direct aan Stanley en Livingstone, de blanke ontdekkingsreizigers die elkaar de hand schudden in Afrika. Aan Werner Herzogs Fitzcarraldo, waarin een rubberbaron een stoomschip over een berg laat trekken om bij een onontgonnen rubberterritorium te komen. En natuurlijk aan Joseph Conrads Heart of Darkness uit 1899, de zoektocht van Marlow naar ivoorhandelaar Kurtz, die ergens diep in Congo zijn rijk van waanzin heeft gevestigd, het boek dat gaandeweg niet alleen westerse projecten in, maar ook westerse projecties op andere culturen ging symboliseren – de vanitasom Afrika te zien als een weerspiegeling van de duistere kanten van de westerse ziel. The horror! The horror!

In zijn eentje lijkt Martens heel die canon van westers streven en sneven in Afrika tot de uiterste en meest groteske consequenties door te willen voeren. Als zijn ontwikkelingsproject mislukt – de vertegenwoordiger van Artsen zonder Grenzen in het gebied vindt het een misselijkmakend idee om de fotografen hun eigen ellende te laten fotograferen, met foto’s van westerlingen is dat anders, die vallen onder ‘communicatie’ – wordt Martens missionaris; hij predikt de zegen van armoede in de Congolese binnenlanden. Zijn grootste hulpmiddel is een van huis meegenomen set grote neonletters plus generator, die met behulp van dragers en vlot door de jungle getransporteerd wordt. Daar licht, middenin een elektriciteitloos dorpje in Afrika, in prachtig neonblauw de leuze Enjoy Poverty op. En wat doen de bewoners van dit hart der duisternis? Die barsten los in feestgedruis.

Is Martens’ film walgelijk? Of is het een walgelijke wereld waarin deze film gemaakt is? Als Martens’ stelling klopt, is het niet erger dat een hongerend kind gefilmd wordt voor een film over de exploiterende aard van beelden, dan dat het gefilmd wordt in de waan dat dat een eind zal maken aan zijn honger. Of is er toch iets grondig mis met die veronderstelling?

„Ik heb Episode 3 vooral gemaakt vanuit het perspectief van beeldende kunst”, benadrukt Martens. „Hedendaagse kunst stelt vaak allerlei beeldtaal ter discussie, maar verhoudt zich inhoudelijk zelden tot de wereld. Terwijl juist strategieën die in de kunst ontwikkeld worden, een completere omgang met de buitenwereld mogelijk maken. Sinds het modernisme betrekt kunst zijn eigen bestaan in de afbeelding van de werkelijkheid; om de werkelijkheid op een schilderij te kunnen beoordelen, moet dat schilderij het als het ware over zichzelf hebben. Maar in de journalistiek en de film is dat nog altijd niet zo; die media ontkennen hun eigen bestaan. Dat doet mijn film dus niet. Ik denk dat ik de werkelijkheid beter invoelbaar maak door die te laten zien zoals ze is, dus inclusief het raamwerk waardoor wij ernaar kijken.”

Is het middel hier niet erger dan de kwaal? Je film is exploitatie in het kwadraat, zou je kunnen zeggen. Je gebruikt beelden van lijdende Afrikanen voor een kunstproject over beelden van lijdende Afrikanen.

„Mijn film is exploiteert zoals alle films dat doen, maar van dat kwadraat ben ik niet zeker. Onze consumptie van beelden exploiteert. Het enige verschil is dat ik dat uitbuitende niet verhul, het zelfs op tafel leg.”

Maakt de intentie nog uit? Ontwikkelingswerkers willen, hoop je, dat mensen het beter krijgen. Jij wilt alleen je eigen boodschap verkondigen.

„Natuurlijk maakt de intentie uit. En dat maakt mijn film juist minder exploiterend; ik laat de dingen zien zoals ze zijn. Overigens heb ik hard genoeg mijn best gedaan om het project met de fotografen gefinancierd te krijgen. Ik heb op talloze deuren geklopt, driemaal subsidie aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Kinshasa, zelfs bij de ambassades van China en Noord-Korea ben ik geweest. Maar niemand zag iets in een project met Afrikaanse fotografen. Landbouw, visserij, ja. Foto’s van hun eigen mensen verkopen: nee. ”

Je reproduceert het bestaande beeld van Afrika. Kwaadaardige westerlingen, Afrikanen als slachtoffers.

„Ik kopieer inderdaad wat andere filmers doen. Deze situatie bestaat, ook in zijn abstractie, en ik probeer die abstractie te ontrafelen. Het is onmogelijk je aan het koloniale patroon, zo je wilt, te onttrekken. Je onderhandelt bijvoorbeeld met de dragers: die willen tien dollar en jij wilt er vijf geven, vervolgens bedingen zij er zes. Wie heeft er dan de macht? Dat is de realiteit die de meeste films nu juist willen ontkennen. Je kunt er niet aan ontsnappen. Je kunt het wel etaleren.”

Je film komt op een moment dat zowel noodhulp als regulier ontwikkelingswerk onder vuur ligt. Is niet kijken volgens jou een betere optie? Geen beelden van lijden betekent: geen aandacht en geen hulp.

„De keus is niet tussen kijken en niet kijken, want niet kijken helpt ook niet. Het gaat erom de aard en de bedrieglijkheid van dat kijken bloot te leggen, net als de aard en de bedrieglijkheid van hulp. Ik zeg niet dat hulp stopgezet moet worden. Ik wil alleen maar duidelijk maken hoe het werkt en wie er voornamelijk geholpen worden. Voor de populistische kreet ‘Stoppen met ontwikkelingshulp’ voel ik helemaal niets. Trek dan ook onze bedrijven daar terug, die daar alles voor een appel en een ei opkopen, en laat Afrikanen hun eigen grondstoffen exploiteren.”

Waarom richt je je pijlen op westerse fotografen en de ontwikkelingsindustrie en niet op Afrikaanse machthebbers?

„Wij kunnen niet beïnvloeden wat de Afrikanen doen en hoe corrupt ze zijn. We kunnen wel beïnvloeden wat wij doen.”

Wie gaat er verdienen aan jouw film?

„De Afrikanen in mijn film gaan eraan verdienen. Maar dat mijn film wat geld brengt naar een dorpje maakt niks uit, het verandert niks aan de economische status quo. Het is Renzo die kiest hoeveel geld er verdiend wordt en waar dat geld heengaat. Het maakt de afhankelijkheidsrelatie niet anders.”

De scène met het uitgehongerde kind heeft iets totaal zieks.

„Soms vraag ik me af hoe ik hier later op zal terugkijken, hoe ik dit, bij wijze van spreken, aan mijn kleinkinderen moet uitleggen. Inderdaad, het kind gaat dood, al film ik dat pas als het net gestorven is. Maar ze zal nog duizend keer doodgaan in mijn film. Misschien is mijn film dus ziek. Maar dat is dan omdat de wereld ziek is, en mijn film probeert dat tenminste niet te verhullen.”

Heb je ondanks alles niet toch precies dezelfde missie als je collega’s, namelijk: kijk naar deze film, dan verandert er misschien wat?

„Nee, want verandering is niet mogelijk zolang economische verhoudingen hetzelfde blijven. Zolang wij, bij wijze van spreken, niet bereid zijn minstens het dubbele te betalen voor grondstoffen uit Afrika. Toch denk ik wel dat waarachtige kunst zeker invloed heeft op de wereld. Exploitatie en dode kinderen zijn heel erg, maar het ergste is dat die twee dingen mogelijk zijn doordat we niet willen zien wat er werkelijk aan de hand is. Goed kijken is, los van zijn morele politieke en economische consequenties, heel erg goed. Het creëert waarheid. Goed kijken vereist aanvaarding en ontleding van je eigen situatie. Wat buiten is, zit binnen.”

Episode 3 van Renzo Martens is vanaf 20 november te zien op het IDFA. Inl: IDFA.nl. Van 21 nov t/m 4 jan is de film tevens te zien in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, Rozenstraat 59, Amsterdam. Inl: smba.nl