Rechtenstrijd om de hits van vroeger

‘Brussel’ wil de rechten op opnames van muziek verlengen. Critici zeggen dat dit een knieval is voor de platenindustrie.

Kunnen we straks heel goedkoop cd’tjes met opnames van The Beatles kopen, of van andere legendarische bands uit de jaren zestig?

Nu kunnen platenmaatschappijen nog veel verdienen aan opnames uit de jaren zestig en zeventig. Maar de rechten daarop verlopen na vijftig jaar – volgens de huidige regels.

De Europese Commissie heeft voorgesteld die regels te veranderen en in lijn te brengen met de afspraken in de Verenigde Staten. Daar blijven de opnames 95 jaar lang eigendom van de platenmaatschappijen, en zorgen zij dus nog 45 jaar langer voor inkomsten dan in Europa.

De discussie hierover, die deze week is begonnen in het Europees Parlement, wordt al snel verwarrend omdat er twee soorten rechten door elkaar lopen.

Muziek is beschermd via het auteursrecht en het recht op muziekopnames. Het auteursrecht staat niet ter discussie: de rechten voor het schrijven en/of componeren van muziek liggen in principe bij de auteur, tot zeventig jaar na zijn of haar dood. Maar er is ook een opnamerecht, dat geldt voor de uitvoerende muzikanten en de platenmaatschappijen.

Als er dus een nieuwe cd wordt uitgebracht met Yesterday, blijft Beatles-zanger Paul McCartney daar royalties voor krijgen op basis van zijn auteursrecht. Maar of de platenmaatschappij geld blijft ontvangen, en eventueel ondersteunende uitvoerende muzikanten, dat moet het Europees Parlement nu beslissen.

Vooral platenmaatschappijen hebben belang bij het verlengen van de rechten, zegt Bernt Hugenholtz, directeur van het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam. Opnames uit de hoogtijdagen van de rock-’n-roll en de bloeiperiode van de popmuziek komen volgens de huidige termijn van vijftig jaar binnenkort vrij. Dat zijn waardevolle opnames, die nog steeds veel geld opbrengen. Andere cd-producenten kunnen er niet mee gaan concurreren zolang die vijftig jaar niet zijn verstreken. Daarom is de Europese consumentenorganisatie BEUC niet voor verlenging van 50 naar 95 jaar.

Concurrentie is ook het argument van de voorstanders van verlenging van de opnamerechten, maar dan in een ander perspectief. Zij zeggen dat de Europese muziekindustrie niet op achterstand mag worden gezet tegenover de Amerikaanse.

„Flauwekul”, zegt Hugenholtz. „Er bestaat geen Europese muziekindustrie, de grote platenmaatschappijen in Europa zijn vestigingen van wereldwijde bedrijven.” Hij stelt dat de Europese Commissie is bezweken voor de lobby van platenmaatschappijen.

Die zijn verenigd in de IFPI, de internationale koepel van platenmaatschappijen. Frances Moore, directeur van de Europese vestiging daarvan, zegt in reactie op de kritiek dat ook onafhankelijke en kleine platenlabels binnen de IFPI de verlenging steunen. „En het marktaandeel van de grote maatschappij EMI is in de VS aanzienlijk kleiner dan in Europa.”

Bovendien, aldus Moore, kunnen liedjes van artiesten op internet een veel langer leven leiden, of plotseling weer gaan verkopen. „Waarom zouden artiesten en producenten geen geld meer mogen krijgen voor de verkoop of het gebruik van de uitvoering van de liedjes die zij uitbrachten?”

Hugenholtz vindt dat een beetje schijnheilig. Hij wijst erop dat er eerst is gelobbyd voor de rechten van de producenten en dat pas later de uitvoerende artiesten daar bij zijn gehaald. Bovendien, zegt hij, was het doel van die opnamerechten platenmaatschappijen in staat te stellen hun investeringen terug te verdienen. De verlenging van die rechten is niet van invloed op het geld dat aanvankelijk als investering is uitgegeven.

Ook de lidstaten van de EU buigen zich inmiddels over het voorstel. Zo sprak het Nederlandse kabinet zich onlangs uit tegen het Commissievoorstel en kreeg het daarin bijval van de Eerste Kamercommissie voor Justitie. De Britse regering is eveneens tegen.

„Wanneer mensen na een bepaalde tijd niet vrij kunnen beschikken over vormen van culturele expressie, komt een cultuur gierend tot stilstand”, waarschuwt Hugenholtz. „Als er bijvoorbeeld nog steeds rechten zouden zitten op de werken van Shakespeare, zouden wij nu verstoken blijven van alle varianten en parodieën die er op die stukken worden gemaakt.”