Laat Bureau Jeugdzorg nu eens zijn werk doen

Door garanties te eisen voor de veiligheid van bedreigde kinderen, zal de Jeugdzorg zich defensief opstellen. Dat betekent minder zorg, zeggen Paul Verkerk en Simone Buitendijk

Minister Rouvoet (ChristenUnie, Jeugd en Gezin) en de jeugdzorg krijgen er in de Tweede Kamer en in de media regelmatig van langs. De minister ligt politiek onder vuur omdat hij niet daadkrachtig genoeg optreedt. En vrijwel wekelijks schrijven kranten over fouten door hulpverleners bij kinderen in nood. De minister, de Bureaus Jeugdzorg en de Kinderbescherming krijgen daarbij het verwijt onvoldoende te waken over de veiligheid van kwetsbare kinderen.

De tragedies rondom kinderen zoals Savanna en Gessica (‘het Maasmeisje’) worden vaak als afschrikwekkend voorbeeld aangehaald. De meisjes waren bekend bij Jeugdzorg en werden desondanks om het leven gebracht door hun ouders. Ook bestaat er veel kritiek op de zwakke organisatie van de jeugdhulpverlening. De ene hulpverlener zou niet weten wat de andere doet en niemand durft de verantwoordelijkheid voor een bepaald gezin te nemen.

Vorige week kwamen Jeugdzorg en Kinderbescherming weer in opspraak, dit keer door rapporten van de Inspectie voor de Jeugdzorg waaruit blijkt dat uit huis geplaatste kinderen te snel weer worden teruggeplaatst. Dit speelde ook bij Savanna: zij werd vermoord na een terugplaatsing. ‘Schokkend’ en ‘verbijsterend’ noemen Kamerleden de bevindingen van de Inspectie. De conclusie is wederom dat „hulpverleners onvoldoende waken over de veiligheid van deze kinderen” (NRC Handelsblad, 30 oktober).

Het niveau en de inhoud van deze discussie baart ons al enige tijd zorgen. Politici lijken zich niet te realiseren dat het onmogelijk is om problemen zoals die met Savanna en Gessica altijd te voorkomen. Als Kamerlid Sterk (CDA) in schriftelijke vragen suggereert dat het onacceptabel is dat de veiligheid van kinderen door Jeugdzorg niet kan worden gegarandeerd (Kamervragen beantwoord 29 oktober 2008), maakt zij een principiële fout. Juist deze fout kan Jeugdzorg tot een onwenselijke handelwijze aanzetten.

Het dagelijkse werk van Jeugdzorg is risicoselectie en risicomanagement. Gezinsvoogden en jeugdbeschermers moeten een inschatting maken van het risico dat een kind loopt op mishandeling of verwaarlozing. Zij hebben daarvoor géén perfecte instrumenten. Het beoordelen van risico’s in gezinnen is met veel meer onzekerheid omgeven dan bij een laboratoriumtest waarmee een infectie kan worden vastgesteld. De jeugdhulpverleners kunnen domweg niet in alle gevallen precies vaststellen wanneer een kind veilig in het gezin kan blijven en wanneer niet. Zij kunnen dus helemaal geen garanties geven.

Als hulpverleners worden afgerekend op incidenten, worden zij in het nauw gedreven. De enige manier waarop zij dan nog kunnen voorkomen dat hun laakbaar handelen wordt verweten, is door zoveel mogelijk kinderen uit huis te plaatsen. Dat is ongewenst omdat we daarvoor niet de faciliteiten en het geld hebben. Maar dat is bovenal ongewenst, omdat uithuisplaatsing geen ingreep is zonder bijwerkingen: een onterechte uithuisplaatsing heeft grote nadelen en zal het kind onnodig psychische schade berokkenen.

Wij vinden het bewonderenswaardig dat er nog werkers van Bureau Jeugdzorg zijn die hun werk met plezier doen. Zelden krijgen ze complimenten als ze kinderen zo begeleiden dat ze veilig in hun gezin kunnen blijven en dat hun een uithuisplaatsing kan worden bespaard. Zelden horen ze hoe knap het is dat ze op basis van ‘softe’ gegevens vaak in staat zijn correct te beslissen.

Wat moeten we nu doen? Uiteraard is het belangrijk dat missers zo veel mogelijk worden voorkomen. Zo weinig mogelijk kinderen moeten onterecht uit huis worden geplaatst en zo weinig mogelijk kinderen moeten in een onveilige situatie blijven. De jeugdzorg moet daarom worden gesteund bij het ontwikkelen van betere methoden om het verschil tussen ‘pluis’ en ‘niet pluis’ vast te stellen en bij het maken van goede afspraken om gezinnen in nood te helpen. Uiteindelijk zullen dergelijke verbeteringen ook het werkplezier en de beroepstrots van de sector verhogen en zal het gemakkelijker worden voor werkers in de jeugdzorg om verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor probleemgezinnen. De nieuwe Deltamethode waarmee een andere manier van werken voor gezinsvoogden wordt geïntroduceerd, zou een stap vooruit kunnen zijn. Met deze methode gaan ze meer gestructureerd te werk en worden afspraken die met de ouders worden gemaakt, beter gecontroleerd.

Ook de oprichting van de Centra voor Jeugd en Gezin kan een positief effect hebben. Daarin zullen hulpverleners elkaar sneller kunnen vinden waardoor de risico-inschatting kan worden verbeterd. We moeten de minister en de sector de tijd geven nieuwe manieren van werken te ontwikkelen, te toetsen en verder te verbeteren. Het is veel te vroeg om te constateren dat het ingezette beleid niet gaat werken.

Maar bovenal moeten we ons realiseren dat perfectie een illusie is. Als we blijven roepen om harde actie en ‘geschokt’ zijn bij elk incident, zetten we de jeugdzorg onder druk en dwingen deze tot defensief handelen. En daar komt veel narigheid van.

Simone Buitendijk is hoogleraar Geïntegreerde preventieve gezondheidszorg voor kinderen LUMC en programmamanager Jeugd bij TNO. Paul Verkerk is hoofd Gezondheidszorg 0- tot 19-jarigen bij TNO