'Keer bonussen over een langere periode uit'

Verbetering van financiële stabiliteit, daarover spreken de EU-regeringsleiders morgen. De tijd is rijp voor grensoverschrijdend toezicht, vindt hoogleraar Harald Benink.

Premier Jan Peter Balkenende en minister Wouter Bos hebben hun visitekaartje afgegeven voor de top van de regeringsleiders van de Europese Unie. Morgen spreken zij elkaar over de financiële crisis. In een ingezonden brief in de Duitse editie van de Financial Times schreven Balkenende en Bos maandag dat bonussen en optieregelingen bij financiële instellingen te veel gericht zijn op winstbejag op de korte termijn en te weinig op het publieke belang en stabiliteit op de lange termijn. Ze vinden dat het beloningssysteem een onderdeel moet worden van het toezicht op banken. Toezichthouders moeten, volgens Balkenende en Bos, de mogelijkheid krijgen om reeds uitgekeerde bonussen aan bestuurders van financiële instellingen terug te vorderen.

„De bonussen moeten worden gekoppeld aan het langetermijnbeleid”, vindt Harald Benink. Het is volgens hem „geen kunst” om veel risico te nemen in een opgaande conjunctuur en kortetermijnwinst te halen en bonussen te incasseren. „Keer bonussen over een langere periode uit, en je voorkomt de neiging alle aandacht op de korte termijn te richten.”

Benink is als hoogleraar verbonden aan het European Banking Centre van de Universiteit van Tilburg. Daarnaast is hij oprichter en voorzitter van het Europese schaduwcomité voor financiële regelgeving en toezicht. Dat comité is tien jaar geleden opgericht en geeft ongevraagd beleidsadviezen over financiële regels en toezicht.

Benink hoopt dat de regeringsleiders van de EU een scherp onderscheid gaan maken tussen de topbestuurders van banken en ‘normale bedrijven’. „Een bank vervult een unieke functie in het economisch systeem. Daar hoort een strakker toezicht bij, ook wat betreft de beloningen. Het gaat daarbij niet zozeer om nieuwe regels, maar om de effectiviteit. Daar is in het verleden te weinig aandacht voor geweest.”

Het gesprek vindt plaats in hotel Krasnapolski in Amsterdam. In een plastic tas heeft Benink een selectie van de ruim twintig adviezen die zijn comité de afgelopen jaren publiceerde. Een van de belangrijkste bevindingen: eisen aan het eigen vermogen van de banken zijn de afgelopen eeuw steeds soepeler geworden. „Banken hoeven steeds minder buffervermogen aan te houden, met als gevolg dat ze relatief meer riskante activiteiten konden ondernemen. Alles is gericht op de verwachting dat het rendement op het eigen vermogen zou toenemen.”

Daarbij werden, volgens Benink, „perverse prikkels in het systeem” verwerkt. Hij doelt op beslissingen van het Comité van Bazel. In dit comité maken centralebankiers en toezichthouders afspraken om het toezicht te harmoniseren [zie kader]. In het Bazel-II-akkoord is afgesproken dat bankiers zelf hun risico’s mogen berekenen – en de bijbehorende reserve. „Dit creëert prikkels tot het onderschatten van het kredietrisico”, vindt Benink. Het toezicht door DNB typeert hij als „marginaal” omdat de expertise vaak ontbreekt om risico’s te schatten. „Banken handelen zelf in producten die ze niet begrijpen.”

Voor de Verenigde Staten was de verwachte daling van het eigen vermogen een reden om invoering van Bazel-II uit te stellen. In Nederland komt nu ook langzaam de kritiek los op dit akkoord. Oud-minister Gerrit Zalm van Financiën pleitte bij de ontvangst van zijn eredoctoraat aan de Vrije Universiteit voor een verhoging van de buffers, terwijl er sprake is van een verlaging van de buffers. Benink: „Een prima voorstel van Gerrit Zalm, die trouwens als voormalig minister van Financiën wel verantwoordelijk was voor de invoering van Bazel-II in Nederland.”

De ervaring leert dat banken altijd door de overheid worden gesteund wanneer ze dreigen om te vallen. „Maar, zolang de overheid als vangnet dient voor banken die in de problemen komen, zullen banken nooit voldoende kapitaal aanhouden om zichzelf te kunnen redden.” Oplossing? Benink vindt dat marktpartijen, zoals verschaffers van achtergestelde leningen, meer risico moeten lopen als ze zaken doen met banken. Als ze beseffen dat ze hun geïnvesteerde geld ook volledig kwijt kunnen raken zullen ze hogere kapitaaleisen stellen. „Zo krijg je gezondere financiële verhoudingen.”

Hij verwacht dat een discussie die aan de vooravond van de oprichting van de Europese Centrale Bank werd gevoerd nieuw leven wordt ingeblazen. Op 1 juli 1998 werd de ECB opgericht met als belangrijkste taak het waarborgen van prijsstabiliteit in de eurozone. De nationale banken raakten zo een belangrijke taak kwijt. Ook een andere belangrijke opdracht van centrale banken, de uitgifte van bankbiljetten, werd de verantwoordelijkheid van de ECB. Maar het toezicht op het nationale bankwezen wisten de lidstaten wel te behouden. In de aanloop naar de oprichting van de ECB gingen er wel stemmen op om ook het toezicht over te hevelen naar de Europese Centrale Bank, maar daarvoor waren volgens Benink de belangen in de verschillende lidstaten te groot.

De banken waren tot nu toe tevreden over dit toezicht en vertrouwden elkaar. Banken moeten bijvoorbeeld een vergunning hebben om diensten aan te bieden. Dat geldt ook voor buitenlandse banken, maar als zij al een vergunning in een ander EU-land hebben, mogen zij op grond daarvan financiële diensten aanbieden in Nederland. Deze banken vallen dan niet onder toezicht van DNB, maar onder het toezichthouder in het land van vestiging. „Dit kan omdat het toezicht in Europa in grote lijnen gelijk is”, schrijft DNB op haar website. „Ik signaleer een groot verschil in het toezicht in bijvoorbeeld Groot-Brittannië en Zuid-Europese landen”, zegt Benink. „Ik pleit voor een echte, minder vrijblijvende harmonisatie. Grensoverschrijdend toezicht. Het zal het thema worden tijdens de komende top van de Europese regeringsleiders.”