Historisch zit het wel goed

In 1955 moesten zwarten in het zuiden van de VS nog achterin de bus zitten.

Er was een zwarte kandidaat nodig die niet terugkeek om president te kunnen worden.

In de tranen van Jesse Jackson kwam alles samen. De zwarte dominee en activist voor zwarte burgerrechten stond dinsdag tussen het publiek in Chicago te luisteren naar de overwinningstoespraak van Barack Obama. En de tranen biggelden over zijn wangen, tranen voor degenen die hebben gestreden voor raciale gelijkheid, zo zei hij later in het Amerikaanse tv-programma Good Morning America.

Als er iemand is die de historische omvang van Obama’s overwinning op waarde weet te schatten, dan is het Jackson. In 1961, het jaar waarin Obama werd geboren, studeerde Jackson in Greensboro, North Carolina, waar zwarte jongeren al uit protest ‘witte’ lunchrooms betraden.

In die tijd was er in het overgrote deel van het Amerikaanse zuiden sprake van segregatie: zwart en blank waren van de wieg tot het graf van elkaar gescheiden. Zwarten werden geboren in gesegregeerde ziekenhuizen, kregen onderwijs op zwarte scholen en werden begraven op eigen begraafplaatsen.

Hoewel in het noorden van Amerika formeel geen segregatie bestond, was ook daar sprake van racisme. Zwarten konden niet in bepaalde buurten wonen, waren uitgesloten van sommige banen. De segregatie had hier een informeel karakter. Zo waren de openbare stranden in Chicago officieel toegankelijk voor zwarten, maar in de praktijk gebruikten blanke bendes geweld om als de ‘niggers’ het waagden er daadwerkelijk naartoe te komen.

De zwarte naaister Rosa Parks is de geschiedenis ingegaan als moeder van de naoorlogse zwarte emancipatiestrijd. Op 1 december 1955 stapte ze aan boord van een bus in Montgomery, in de Amerikaanse staat Alabama. Ze ging zitten op de eerste rij van het deel voor ‘gekleurden’. Toen een blanke passagier daar wilde zitten, vroeg de buschauffeur Rosa Parks op te staan, zoals gebruikelijk was. Maar ze weigerde.

De burgerlijke ongehoorzaamheid van Rosa Parks, toen 42, inspireerde een nieuwe generatie, onder wie de jonge zwarte dominee Martin Luther King en Jesse Jackson. Zij groeiden uit tot leiders van de burgerrechtenbeweging, die in de jaren vijftig en zestig streed voor gelijke kansen voor zwarten. Zij organiseerden bijeenkomsten, boycotten gesegregeerde bedrijven, hielpen zwarte kiezers zich te registreren om te kunnen stemmen en organiseerden zwarte marsen om een einde te maken aan de segregatie in het zuiden.

Media toonden hoe het vreedzame protest werd beantwoord met geweld. Vele betogers werden in elkaar geslagen door de politie, sommigen werden vermoord door de Ku Klux Klan of andere blanke racistische organisaties.

Jesse Jackson was erbij toen Martin Luther King in 1968 werd doodgeschoten in Memphis. Volgens Jackson waren Kings laatste woorden gericht tot de muzikant Ben Branch, die later op de avond zou optreden op een evenement, waar King ook aanwezig zou zijn. „Ben, zorg ervoor dat je Take My Hand, Precious Lord speelt tijdens de bijeenkomst vanavond. En speel het heel mooi.”

Zijn grootste succes als zwarte leider had King toen al even achter de rug. Met de Civil Rights Act uit 1964 maakte het Amerikaanse Congres formeel een einde aan de segregatie. De wet verbood discriminatie op basis van ras in het openbaar onderwijs, in openbare gelegenheden, door werkgevers en bij de registratie van kiezers. Langzaam maar zeker kwam er een einde aan de segregatie en het geweld tegen zwarten. Miljoenen zwarten mochten stemmen en mochten zelf ook publieke functies bekleden, zoals burgemeesters, gouverneurs en senatoren.

Toch bleef ras lang een beslissende factor bij verkiezingen. Sinds de Civil Rights Act zijn er maar drie zwarte Amerikaanse senatoren geweest. En slechts twee staten, Massachusetts en Virginia, hebben een zwarte gouverneur gekozen. New York kreeg met David Dinkins in 1989 voor het eerst een zwarte burgemeester, zijn verkiezing werd door veel zwarte New Yorkers gevierd als een doorbraak.

Jesse Jackson, niet onomstreden door zijn bruuske uitspraken en een serie schandalen, heeft in 1984, 1988 en 1992 kansloze pogingen gedaan om als eerste zwarte de Democratische presidentskandidaat te worden. Hij profileerde zich te nadrukkelijk als de zwarte kandidaat en als slachtoffer van racisme om ook blanke kiezers aan te trekken.

Er was een zwarte kandidaat (met een witte moeder) voor nodig die zich niet als slachtoffer profileerde en van ras geen thema maakte. Obama heeft tijdens zijn campagne zwarten juist aangespoord zelf verantwoordelijkheid te nemen. Obama groeide op zonder vader en deed vaak een beroep op zwarte vaders om er te zijn voor hun kinderen. Hiermee haalde hij de woede van oude zwarte leiders zoals Jesse Jackson op de hals, die vond dat dat Obama een neerbuigende toon tegenover zwarten aanslaat. Maar dinsdag was alles vergeven en vergeten.

De afgelopen dagen hebben veel zwarte Amerikanen elkaar hetzelfde sms-je gestuurd. Het is een ode van de nieuwe generatie aan de oude dat van mobieltje naar mobieltje gaat: „Rosa sat so Martin could walk. Martin walked so Barack could run. Barack is running so our children can fly.”