Harde kern van jeugdwerklozen slinkt niet

Werkloosheid onder jongeren neemt af, maar de groep langdurig werkloze jongeren krimpt niet. Langs elkaar heen werkende organisaties weten deze jongeren niet te bereiken.

Mustafa is opgegroeid in pleeggezinnen. Hij was al jong lid van bendes. De problemen stapelden zich op: hij had geen vaste huisvesting, was verslaafd, kreeg moeilijkheden met zijn vriendin en hij had torenhoge schulden. Fysiek was Mustafa niet in staat te werken. De gemeente gaf hem één jaar ontheffing van de plicht naar werk te zoeken. Hij kwam op het criminele pad terecht en werd gepakt door de politie.

Mustafa hoort tot de harde kern van de jeugdwerklozen. Het gaat om werkloze jongeren die als ongeschoold gelden. Ze beschikken niet over het minimum aan bagage, de startkwalificatie, dat nodig is voor de arbeidsmarkt. Ze hebben geen havo of vwo-diploma, noch een basisberoepsopleiding.

Er komen steeds meer jongeren zoals Mustafa, constateert de Algemene Rekenkamer in een rapport Aanpak harde kern jeugdwerklozen dat vandaag is verschenen. „Het probleem van de groep die niet naar school gaat of geen werk heeft is verontrustend”, zegt Gerrit de Jong, bestuurslid bij de Algemene Rekenkamer, en verantwoordelijk voor het onderzoek.

Het kabinet mist een gevoel van urgentie bij de aanpak van deze probleemgroep, constateert de Rekenkamer in het rapport. Ministeries en talrijke gemeentelijke en overheidsinstanties werken langs elkaar heen, stelt de Rekenkamer vast die het kabinetsbeleid controleert. Jongeren krijgen vaak niet de juiste begeleiding om naar school terug te keren of aan werk te komen.

„Als het kabinet dit probleem niet serieuzer te lijf gaat, komen deze jongeren duurzaam langs de kant te staan”, zegt De Jong. Voor de jongeren zelf betekent dit maatschappelijke uitsluiting. Voor de maatschappij betekent het hoge kosten omdat jongeren lang afhankelijk kunnen zijn van een uitkering, ze overlast veroorzaken of crimineel worden.

De Rekenkamer heeft de problemen met de harde kern van de jeugdwerklozen tussen 15 en 23 jaar in 85 steden in Nederland onderzocht. Hoewel het aantal werklozen onder jongeren de afgelopen jaren fors is gedaald, groeit verhoudingsgewijs de harde kern, constateren de onderzoekers in het rapport. In 2003 bestond de harde kern van jeugdwerklozen uit 47 procent. Vorig jaar steeg dat aandeel tot 66 procent. Het gaat om de 17.617 jongeren die als werkzoekend staan ingeschreven bij het Centrum voor Werk en Inkomen.

In werkelijkheid is de groep volgens de Rekenkamer veel groter. In totaal volgen 72.000 jongeren geen volledig dagonderwijs en hebben geen werk, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De meerderheid zoekt niet actief naar betaald werk.

Twee jaar geleden al wees de Taskforce Jeugdwerkloosheid onder leiding van oud-ondernemer Hans de Boer, die door het vorige kabinet was ingesteld, er al op dat er een doelgerichte aanpak nodig is om de groep langdurig werkloze jongeren terug te dringen. Ook de internationale Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling stelde eerder dit jaar in een rapport vast, dat langdurig werkloze jongeren – jongeren uit migrantengezinnen én autochtone jongeren – vaak buiten de boot vallen.

„Wil het kabinet hier serieus werk van maken dan is het van groot belang dat iemand als politiek regisseur optreedt, anders wordt dit moeilijke probleem nooit opgelost”, stelt De Jong van de Rekenkamer, die geïnventariseerd heeft wat er momenteel allemaal gebeurt om jongeren naar de arbeidsmarkt te begeleiden of weer naar school te krijgen. Hij wijst op een keur aan ministeries en talrijke instanties die actief zijn om een grote hoeveelheid maatregelen uit te voeren: de ministeries van Sociale Zaken, Jeugd en Gezin, Onderwijs, Economische Zaken, gemeentelijke Centrums voor Werk en Inkomen, Jeugdloketten, reïntegratiebureaus, Regionale Opleidingen Centra, Regionale Meld- en Coördinatiepunten voor schooluitvallers (drop-outs) en zorginstellingen.

Het beleid en de maatregelen zijn te veel verbrokkeld. „Het is zonde van al het geld dat de diverse ministeries en gemeenten erin steken”, zegt De Jong. Het enige wat deze jongeren uit de problemen kan helpen en terug naar school brengen of aan een baan helpen, is individuele begeleiding. „Deze jongeren hebben ieder een aparte coach nodig met wie een vertrouwensband ontstaat en die ze tijdens het hele proces langs de loketten en instellingen naar school of een baan loodst.” Het probleem is volgens de Rekenkamer uitsluitend op te lossen als de politiek hiervoor één persoon verantwoordelijk maakt, die ervoor zorgt dat instanties en maatregelen beter op elkaar aansluiten. De tijd dringt, meent De Jong, want met de snelle verslechtering van de economische situatie zal de risicogroep onder de jongeren toenemen, verwacht hij.

Een gerichte aanpak werpt vruchten af, blijkt bij Mustafa. Nadat de reclasseringsambtenaar Mustafa had overgedragen aan het meldpunt voor voortijdige schoolverlaters en hij een vaste begeleider kreeg, is het gelukt hem aan een opleiding ICT te laten deelnemen. De begeleider is hem blijven volgen, bellen en thuis bezoeken totdat hij zijn diploma had. „Het resultaat: Mustafa is blijvend uit de problemen”, stellen de onderzoekers vast.