Haalt Barack Obama zijn vierde jaar wel?

Door voor de Democraat Obama te stemmen hebben de Amerikanen laten weten dat ze een sociaal beleid willen.

Maar zeker niet té sociaal.

De sociale coalitie die door Barack Obama bijeen is gebracht, staat symbool voor een politieke hergroepering. Zij komt in de plaats van de coalitie die met Richard Nixon is begonnen, haar hoogtepunt heeft bereikt tijdens Ronald Reagan en aan haar einde lijkt te zijn gekomen onder George W. Bush. Of Obama’s coalitie het lang uithoudt of een eendagsvlieg zal blijken, hangt vooral af van de manier waarop hij haar zelf interpreteert. De consensus lijkt te zijn dat de diverse aanhangers van Obama – zoals Harold Meyerson het onlangs stelde in The Washington Post – van hun leider verwachten dat hij „een 21ste-eeuwse versie van de hervormingen van Franklin Roosevelt zal implementeren”. Daar ben ik nog niet zo zeker van.

De Obama-coalitie bestaat uit minderheden, blanke professionals, studenten en een aanzienlijk aantal kiezers uit de blanke middenklasse, met name vrouwen.

De minderheden hebben Obama in verbluffend grote aantallen gesteund. Daaruit volgt dat, in het geval van de zwarten, de coalitie een aanzienlijk aantal Afro-Amerikanen uit de middenklasse omvat, die weinig op hebben met de welzijnsprogramma’s voor minderheden van Lyndon Johnson in de jaren zestig. En in het geval van de Spaanstaligen omvat zij veel conservatieve latino’s, die in 2004 op Bush hebben gestemd, maar onlangs van de Republikeinen vervreemd zijn geraakt door de immigratiefobie van die partij.

Er is ook geen reden om te geloven dat de blanke professionals die op Obama stemden, voor een soort ‘socialisme Europese stijl’ zijn. De meesten van hen zijn werkzaam in bedrijfstakken die al zeer gereguleerd en hoogbelast zijn. Hun stemgedrag moet waarschijnlijk worden gezien als een reactie tegen het anti-intellectuele populisme van de vleugel van de Republikeinen, die de afgelopen jaren het regeringsbeleid heeft gedicteerd, en tegen de buitensporige invloed van de religie op de politiek, met name op het gebied van sociale kwesties.

Ten slotte is het feit dat Obama op zo’n groot deel van de blanke middenklasse, met name de zogenoemde Wal-Mart-moms heeft kunnen rekenen, een aanwijzing dat een verlangen naar economische zekerheid – een sentiment dat door alle groeperingen binnen de coalitie wordt gedeeld – een drijvende kracht achter het succes van de Democraten is geweest.

Net als in 1932, toen Franklin Roosevelt Herbert Hoover versloeg, hebben veel kiezers die op Obama hebben gestemd het gevoel dat de regering er niet in is geslaagd hen te beschermen tegen de nakende onzekerheden. Het verlangen naar overheidsbescherming – tegen de concurrentie uit het buitenland, tegen het verlies van de waarde van je huis en tegen de problemen van de oude dag op een moment dat de sociale zekerheid in gevaar lijkt – is sterk in het hedendaagse Amerika. Maar deze angst bestaat al enige tijd, en vele maanden was hij niet groot genoeg om Obama een beslissende voorsprong op John McCain te geven, totdat de financiële crisis toesloeg.

Nadat dat eenmaal was gebeurd, lijken veel nieuwe kiezers naar Obama te zijn toegestroomd. Walging jegens de regering-Bush en angst voor de toekomst heeft hen allemaal ontvankelijker gemaakt voor de ideeën van de Democraat, die een paar weken eerder nog op veel scepsis waren gestuit. Zelfs onder de kiezers van Obama zal een onderstroom van gezond wantrouwen bestaan tegen het idee dat een Europees soort socialisme een oplossing kan zijn voor de Amerikaanse recessie – een reden waarom Obama zelf liever is blijven praten over een ‘betere’ dan over een ‘grotere’ overheid.

De publieke sector is in een tempo van 13 procent per jaar blijven groeien, de nationale schuld is de afgelopen acht jaar verdubbeld en het begrotingstekort nadert de 500 miljard dollar. Tel bij deze fundamentele onevenwichtigheden het ‘goedkope geld’-beleid van de Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken) op, evenals het beleid om kredietverleners aan te moedigen leningen te verstrekken aan mensen die zich die leningen niet konden veroorloven, en je krijgt een goed idee waar de oorsprong van de hedendaagse economische problemen ligt.

Obama zal dit alles de komende jaren goed in zijn achterhoofd moeten houden, als hij onder druk komt te staan van sommige facties van de Democratische Partij, die hopen zijn mandaat te kunnen vertalen in een Roosevelt-achtige uitbreiding van de overheid. Zo’n expansie zou het vermogen van Amerika ernstig ondermijnen om op de wereldmarkt te concurreren, en de indrukwekkende coalitie die hij bijeen heeft gebracht zal het einde van zijn regeringstermijn dan waarschijnlijk niet eens halen.

In de loop van zijn campagne is Obama in staat gebleken het respect en in sommige gevallen de steun te verwerven van een aantal vrije markt-conservatieven, die rebelleren tegen wat zij zien als de populistische eilandmentaliteit van de dominante vleugel van de Republikeinen. De meesten van hen hebben aangegeven dat zij in Obama’s koele oordeelkundigheid, zijn zelf verworven succes en zijn wantrouwen jegens de ‘identiteitspolitiek’ iemand hebben herkend, die niet zo makkelijk zal bezwijken voor de verlokkingen van de socialistische vleugel van zijn eigen partij. Laten we hopen dat dat zo is.

Alvaro Vargas Llosa is een Peruaanse columnist van de Washington Post. Twee recente boeken van hem zijn ‘Lessons from the Poor’ en ‘The Che Guevara Myth’.

© Washington Post Writers Group