Boerse grandeur

Landhuizen pronkten ooit in Nederlandse polders. Voorbij. Korte beschouwing bij de tv-serie Verleden van Nederland.

Op 27 juni 1669 reed Cosimo de’ Medici, de jonge prins van Toscane, met groot gevolg door Noord-Holland, op weg naar Amsterdam. Ze waren onder de indruk van de welvaart op het platteland. De tocht voerde ook door de Beemster, die ze wel eens met eigen ogen wilden zien. Ze hadden gehoord dat dit immense voormalige moeras een halve eeuw eerder door mensenhanden was drooggelegd en bewoonbaar gemaakt.

Wat ze zagen, overtrof hun verwachtingen. Het was het mooiste landschap dat ze in heel Holland hadden gezien: lange kaarsrechte wegen, met bomen aan weerszijden. Het indrukwekkendste deel van de Beemster was de kilometerslange Volgerweg, met links en rechts prachtige landhuizen, en grote tuinen, waarin laantjes en beeldhouwwerken elkaar in een strak patroon afwisselden.

In 1612 was de Beemster drooggelegd, dankzij forse investering van een aantal vermogende Amsterdammers. De polder leverde vruchtbare grond voor landbouw en veeteelt. Hierna volgden vergelijkbare projecten, zoals de Schermer en de Heerhugowaard.

Door zijn ligging nabij Amsterdam groeide de Beemster uit tot moestuin annex rustoord voor rijke Amsterdammers. Velen bezaten grote stukken land die ze verpachtten aan boeren. De echt rijken lieten aan de Volgerweg een landgoed aanleggen, soms behendig gecombineerd met een boerenhoeve. ’s Zomers kwamen de Amsterdammers in speciaal voor hen ingerichte kamers wonen.

In de laatste decennia van de 17de eeuw werd de Beemster steeds mooier en rijker, en dat gold voor de hele Republiek. Maar de 18de eeuw bracht een ommekeer. De Nederlandse handel floreerde nog altijd, maar de nijverheid verloor snel terrein aan het omringende buitenland. Het boerenbedrijf had intussen te kampen met allerlei crises, waarvan de veepest de ergste was. In sommige jaren werd wel driekwart van de veestapel door de fatale ziekte getroffen.

De Beemster had er zwaar onder te lijden. De rijkdom sijpelde weg uit de polder, de landgoederen raakten in verval. Sommige villa’s werden omgebouwd tot boerderijen, andere werden gesloopt en vervangen door boerenstolpen.

Aan het begin van de 19de eeuw werd de landbouw bij vlagen weer een lucratieve bezigheid. De snel rijker wordende boeren kochten de laatste Amsterdamse grondbezitters uit. Van een park voor de inmiddels al niet meer zo nieuwe rijken veranderde de Beemster in grasland met hier en daar een akker vol kool of aardappels.

Het oplossen van de rijkdommen van de Gouden Eeuw deed zich ook elders in het land voor. De polder Zijpe in de kop van Noord-Holland telde in de 18de eeuw tientallen landgoederen; daarvan is zo goed als geen spoor overgebleven. Ook aan de Vecht en de Amstel werd het aantal landhuizen flink uitgedund. Het buiten van de dichter-secretaris Constantijn Huygens, Hofwijck in Voorburg, was in de 19de eeuw in gebruik als fabriekje en bijna was het afgebroken. De opkomst van het monumentenzorg-denken in de 20ste eeuw voorkwam dat het landgoed verdween. Nu is het een museum.

Aan het begin van de 21ste eeuw verraadt de Volgerweg in de Beemster nog altijd wel iets van de vroegere grandeur, al was het maar doordat sommige landhuizen met succes in boerderijen werden geïntegreerd. En inmiddels keren ook de nieuwe rijken terug. Hier en daar verrijst een optrekje in classicistische retro-architectuur. En halverwege is een grote golfbaan aangelegd, die door zijn grillige rondingen hevig vloekt met het nog altijd magnifiek rechthoekige landschap van de Beemster.

René van Stipriaan

A.s. zondag, Ned. 2, 20.15 uur: Verleden van Nederland, deel 5, over de 18de eeuw.A.s. zaterdag, Ned. 2, 15.00 uur: deel 2, over de Middeleeuwen.